Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5648

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
16-10-2007
Zaaknummer
05-2456 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2456 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 maart 2005, 04/2869 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv bij brieven van 26 augustus 2005 en 21 juni 2007 onder verwijzing naar een bijgevoegde rapportage van bezwaararbeidsdeskundige G.C. van Welzenis van 22 augustus 2005 respectievelijk een rapportage van bezwaarverzekeringsarts M.P.W. Kreté van 20 juni 2007 een reactie gegeven. Nadien heeft het Uwv een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige

T.E.A. de Groot van 15 augustus 2007 -met bijlagen- ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2007. Namens appellante is verschenen mr. K. Herder, kantoorgenote van mr. Frissart-Kallenbach. Het Uwv heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door R.A. van de Berkt.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is vanaf 6 november 1973 gedurende 31,5 uren per week werkzaam geweest als verkoopster opticien in dienst van Pearle B.V., gevestigd te Soesterberg. In verband met psychische klachten (burn-out) heeft appellante haar werk vanaf 26 september 1997 niet langer kunnen verrichten. Met ingang van 25 september 1998 is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend. In het kader van de vijfdejaarsherbeoordeling is appellante op 15 oktober 2003 onderzocht door de arts P.L.H. Janssen, die tot de conclusie is gekomen dat appellante over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikt. De voor appellante geldende beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft arbeidsdeskundige H.P. Rademaekers onderzoek verricht naar de arbeidsmogelijkheden van appellante. De arbeidsdeskundige is na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) tot de conclusie gekomen dat appellante met inachtneming van de voor haar geldende beperkingen in staat is een aantal functies te vervullen waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen, dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 22,61%. Overeenkomstig deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2003 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 12 januari 2004 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 november 2003 heeft bezwaarverzekeringsarts Kreté overeenkomstig het uitdrukkelijk verzoek van appellante informatie ingewonnen bij de huisarts T. Lagro-Janssen en de bedrijfsarts/analytisch therapeut H.M.A. Tielenburg van Zessen. Op basis van de beschikbare medische gegevens en de verkregen informatie van genoemde artsen is de bezwaarverzekeringsarts bij de heroverweging van de medische grondslag van het primaire besluit tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid van appellante, zoals weergegeven in de opgestelde FML, juist is ingeschat. De heroverweging van de arbeidskundige grondslag van het primaire besluit heeft bezwaararbeidsdeskundige Van Welzenis tot het inzicht gebracht dat twee van de oorspronkelijk geselecteerde functies niet als geschikt zijn aan te merken, maar dat de overige functies, die leiden tot een verlies aan verdiencapaciteit van 21,17%, terecht voor appellante zijn geselecteerd. Bij het besluit van 19 november 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van

21 november 2003 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van appellante dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat de medische grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, verworpen. Voorts heeft de rechtbank onder verwijzing naar het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Van Welzenis van

4 januari 2005 geoordeeld dat in voldoende mate is gemotiveerd dat in de betreffende functies de belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de bezwaartermijn weliswaar ruimschoots heeft overschreden, maar dat geen aanleiding bestaat om aan appellante vergoeding voor immateriële schade toe te kennen omdat niet gebleken is dat appellante door die overschrijding op zichzelf nadeel heeft ondervonden en niet aannemelijk is gemaakt dat zij daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondergaan.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar belastbaarheid op 12 januari 2004, de datum hier in geding, onvoldoende tot uiting is gebracht in de FML en dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen. In dit verband heeft appellante erop gewezen dat zij in januari 2004 onder behandeling was in verband met een angststoornis. Voorts is in de FML geen beperking opgenomen in verband met lawaai en drukte, hoewel de verzekeringsarts daarvan in het rapport wel melding heeft gemaakt. Appellante heeft erop gewezen dat het Uwv in de procedure bij de Raad, geregistreerd onder nummer 07/1772 WAO, -uiteindelijk- aan haar met ingang van 18 juli 2005 een WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidklasse van 80 tot 100% heeft toegekend omdat er per die datum onvoldoende geschikte functies zijn te vinden. De functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC-code 111172), die ook aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, is per 18 juli 2005 alsnog als ongeschikt aangemerkt. Aangezien de beperkingen van appellante in de periode van 12 januari 2004 tot

18 juli 2005 ongewijzigd zijn gebleven, dient deze functie volgens appellante ook aan de schatting per 12 januari 2004 komen te ontvallen. Appellante heeft -subsidiair- aangevoerd dat aanleiding bestaat voor gegrondverklaring van het beroep en voor een proceskostenveroordeling onder meer omdat de schatting pas tijdens de procedure in eerste aanleg is voorzien van een deugdelijke toelichting en motivering. Ten slotte heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank haar beroep, gelet op het feit dat niet tijdig op het bezwaar is beslist, gegrond had dienen te verklaren wegens strijd met het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Uwv had dienen te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade wegens de spanning en frustratie die appellante als gevolg daarvan heeft geleden.

De Raad heeft in de gedingstukken, waaronder het door appellante op 12 januari 2004 opgestelde dagverhaal, onvoldoende aanknopingspunten gevonden om het standpunt van appellante dat haar gezondheidstoestand eind 2003 is verslechterd en dat om die reden de beperkingen, opgenomen in de FML van 15 oktober 2003, haar belastbaarheid per

12 januari 2004 onvoldoende weergeven, te onderschrijven. De huisarts van appellante heeft bij brief van 13 september 2004 de bezwaarverzekeringsarts bericht dat bij onderzoek als diagnose is gesteld surmenage en depressieve klachten. Bedrijfsarts/analytisch therapeut Tielenburg van Zessen, die appellante in de periode van 18 december 2003 tot en met 30 september 2004 heeft behandeld, heeft als bevindingen van haar onderzoek gerapporteerd dat appellante lijdt aan een angststoornis en dat zij tevens gebrek heeft aan eigenwaarde alsmede dat haar faalangst inmiddels beduidend is afgenomen. Bezwaarverzekeringsarts Kreté is blijkens de rapportage van 20 juni 2007 van mening dat de beperkingen, zoals weergegeven in de FML, passen in het medisch beeld ook bezien naar aanleiding van de ontvangen informatie van de behandelend artsen. De Raad ziet geen reden om dit standpunt voor onjuist te houden. Voorts kan de Raad zich verenigen met de reactie van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van

20 juni 2007 op de grief dat appellante geen drukte kan verdragen en dat in de FML in dat verband geen beperking is opgenomen. Zoals besproken ter zitting van de Raad, blijkt uit het medisch onderzoeksverslag van 15 oktober 2003 niet dat appellante bij dat onderzoek melding heeft gemaakt van klachten als gevolg van lawaai.

Aan de onderhavige herziening van de WAO-uitkering van appellante per

12 januari 2004 is mede ten grondslag gelegd de functie van productiemedewerker bij een import/exportbedrijf van vleeswaren (functienummer 2014-9998-003), behorende tot SBC-code 111172 (productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie). Uit de stukken in het geding in hoger beroep tussen appellante en het Uwv, bij de Raad geregistreerd onder nummer 07/1772 WAO, blijkt dat aan de schatting per 18 juli 2005 onder meer ten grondslag was gelegd de functie productiemedewerker drups afdeling bij een suikerwerkfabriek (functienummer 2092-0008-003), die eveneens behoort tot de SBC-code 111172, en dat die functie in verband met de bijzondere belasting ten aanzien van tillen bij nader inzien is verworpen. De Raad stelt vast dat beide functies weliswaar behoren tot dezelfde SBC-code, maar geenszins identiek zijn en dat de belasting in de onderhavige functie op het onderdeel tillen beduidend lager is dan die in de functie productiemedewerker drups afdeling. Bezwaararbeidsdeskundige De Groot heeft in haar rapportage van 15 augustus 2007 genoegzaam gemotiveerd dat de belasting van de hier in geding zijnde functie, ook op het onderdeel tillen, de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

De Raad onderschrijft het standpunt van appellante dat pas tijdens de procedure in eerste aanleg door middel van de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Van Welzenis van 4 januari 2005 de gewenst geachte arbeidskundige onderbouwing van de geschiktheid van de functies is gegeven. Gelet op het standpunt van de Raad met betrekking tot het CBBS moet dit tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit, dat dateert van vóór

1 juli 2005, dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand kunnen worden gelaten.

Met betrekking tot de grief van appellante inzake de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM stelt de Raad vast dat tussen het indienen van het bezwaarschrift op 28 november 2003 en de definitieve beslechting van het geschil, waarin de Raad hierbij uitspraak doet, nog niet een zodanige termijn is verstreken dat moet worden gesproken van schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op

€ 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.

JL