Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
05-7349 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7349 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 november 2005, 05/1800

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 12 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 15 februari 2006 heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, doen weten dat hij verder als gemachtigde optreedt.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een op 9 maart 2006 uitgebracht nader rapport van bezwaararbeidsdeskundige, L.F.M. van Groesen.

Namens appellante is nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Severijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, laatstelijk werkzaam als receptioniste voor 39 uur per week, is in 1993 voor dat werk uitgevallen wegens vermoeidheidsklachten. Met ingang van 11 augustus 1994 zijn haar uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering, die laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per

28 december 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij het bestreden besluit van 30 maart 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft er een volledig en voldoende zorgvuldig medisch onderzoek plaats gevonden. De rechtbank heeft in de zich in het dossier bevindende medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor het bestaan van medisch objectiveerbare afwijkingen die het aannemen van meer of zwaardere beperkingen - zoals een urenbeperking - rechtvaardigen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts heeft onderkend dat, omdat appellante wel beperkingen ondervindt, in de functionele mogelijkhedenlijst met name ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren alsmede ten aanzien van de dynamische handelingen en de statische houdingen beperkingen zijn aangenomen op grond van de door appellante genoemde klachten.

Met betrekking tot een urenbeperking op medische gronden heeft de rechtbank geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts gemaakte medische beoordeling zoals die is neergelegd in de functionele mogelijkhedenlijst. Zij heeft daartoe overwogen dat niet is gebleken dat de beoordeling door de verzekeringsarts niet is verricht volgens de Standaard verminderde arbeidsduur en dat appellante haar standpunt dat haar beperkingen ernstiger zijn en een urenbeperking op zijn plaats is niet met medische gegevens heeft onderbouwd.

Appellante heeft in hoger beroep haar reeds eerder naar voren gebrachte bezwaren inzake de medische grondslag van het bestreden besluit gehandhaafd.

Appellante heeft voorts betoogd dat de arbeidskundige beoordeling een afdoende motivering ontbeert. Appellante stelt dat de verzekeringsarts bij diverse belastbaarheidsaspecten heeft aangegeven dat zij normaal belastbaar is, terwijl uit de bij de betreffende aspecten gegeven toelichting naar voren komt dat er zekere beperkingen van toepassing worden geacht. De arbeidskundige had gelet op deze in toelichtingen verborgen beperkingen het eindresultaat van de functieselectie moeten voorzien van een toereikende toelichting per belastingonderdeel. Nu dit is nagelaten is niet gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passend moeten worden geacht.

De Raad overweegt als volgt.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft betoogd omtrent de omvang van haar beperkingen en de urenbeperking, vormt in essentie een herhaling van hetgeen zij bij de rechtbank naar voren heeft gebracht.

Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijft de Raad de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank zoals hiervoor weergegeven. De Raad maakt die overwegingen en dat oordeel tot de zijne. De in hoger beroep overgelegde medische stukken geven de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel omdat in deze stukken geen objectief-medische aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de zienswijze dat de verzekeringsartsen van het Uwv de beperkingen van appellante ten tijde hier van belang te licht hebben ingeschat en/of een urenbeperking hadden moeten aannemen.

In het in hoger beroep overgelegde rapport van 9 maart 2006 heeft de bezwaararbeidsdeskundige L.F.M. van Groesen de geselecteerde functies wat betreft de passendheid daarvan voor appellant in medisch opzicht van een nadere toelichting voorzien en heeft hij, na overleg met de bezwaarverzekeringsgeneeskundige vastgesteld dat niet alle functies voldoen aan de voor appellante geldende beperkingen maar dat na het vervallen van enkele functies er voldoende geschikte functies resteren. De Raad is van oordeel dat met dit rapport de schatting alsnog is voorzien van een deugdelijke toelichting en motivering. Zelfs als, zoals ter zitting namens appellante is betoogd, de functies van medewerker bank en meteropnemer wegens overschrijdingen van appellantes belastbaarheid niet geschikt zijn te achten voor haar, wat daar ook van zij, resteren er voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen waarmee de klasse-indeling ongewijzigd blijft.

Nu het Uwv eerst in hoger beroep een afdoende arbeidskundige onderbouwing voor het bestreden besluit heeft gegeven, vormt dit voor de Raad aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak moet eveneens worden vernietigd.

Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting merkt de Raad op dat uit zijn uitspraak van 9 november 2004 (LJN AR4716) voortvloeit dat de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand worden gelaten.

Nu de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven is voor vergoeding van schade, als door appellante is verzocht, geen plaats.

Wel ziet de Raad aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op

€ 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 maart 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,- , te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht in eerste aanleg en hoger beroep, in totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

MK