Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
05/6489 WWB + 07/5258 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Betrokkene had de beschikking over een vermogen dat hoger is dan het voor haar geldende vrij te laten vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6489 WWB

07/5258 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2005, 04/4740

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 2 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 13 februari 2007 en is na heropening voortgezet op 21 augustus 2007. Appellant heeft zich op deze laatste zitting laten vertegenwoordigen door B. Bos, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Betrokkene ontving sedert 1 juli 1998 bijstand naar de norm voor een alleenstaande

ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Nadat uit onderzoek naar voren was gekomen dat betrokkene had nagelaten melding te maken van een op haar naam staande bankreke-ning, heeft appellant bij besluit van 1 juni 2004 de bijstand herzien

(lees: ingetrokken) over de periode van 1 juli 1998 tot en met 14 april 2004. Voorts heeft appellant de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 74.733,82 van

betrokkene teruggevorderd. Aan dat besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat

betrokkene, zonder daarvan aan appellant mededeling te doen, gedurende genoemde

periode heeft beschikt over een vermogen dat hoger is dan het voor haar geldende vrij te laten vermogen.

Bij besluit van 2 september 2004 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van

1 juni 2004 gedeeltelijk gegrond verklaard met dien verstande dat de hoogte van het

teruggevorderde bedrag, onder wijziging van de begindatum van de periode van

intrekking en terugvordering naar 6 november 1998, nader is vastgesteld op € 71.406,18.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen inzake griffierecht en proces-kosten - het beroep tegen het besluit van 2 september 2004 gegrond verklaard en dat besluit we-gens strijd met artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB en

artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB vernietigd. De rechtbank heeft in dat ver-band onder meer overwogen dat betrokkene de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan appellant geen melding te maken van een op haar naam staande bank-rekening en de op die rekening staande tegoeden.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij op goede gronden de bijstand over de gehele periode van

6 november 1998 tot en met 14 april 2004 heeft ingetrokken en teruggevorderd.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 30 januari 2007, nader aangevuld bij besluit van 22 februari 2007, opnieuw op het bezwaar van betrokkene beslist. Daarbij is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, is de intrekking beperkt tot de periode van 21 augustus 2001 tot en met 3 april 2002 en is het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 18.993,--. De Raad stelt vast dat, nu daarmee niet geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van betrokkene, het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak

Ten aanzien van de intrekking

Het oordeel van de rechtbank dat betrokkene gedurende de hier van belang zijnde periode de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan

appellant geen melding te maken van een op haar naam staande bankrekening en de op die reke-ning staande tegoeden, is niet door appellant betwist. Aangezien betrokkene ter zake niet in hoger beroep is gekomen moet thans van de juistheid van dit oordeel van de rechtbank worden uitgegaan.

Appellant heeft daarnaast in het bestreden besluit overwogen dat betrokkene vanaf

6 november 1998, toen de eerste storting werd gedaan, een vermogen had dat het bescheiden vrij te laten vermogen te boven ging. Daarbij heeft appellant er op gewezen dat er op en na 20 augustus 2001 bedragen op de rekening stonden die het vrij te laten vermogen aanzienlijk overschreden.

Ter beantwoording van de vraag of deze schending tot gevolg heeft gehad dat aan betrokkene ten onrechte bijstand is verstrekt heeft appellant in het besluit van

2 september 2004 overwogen dat betrokkene vanaf 6 november 1998, toen de eerste storting werd gedaan, een vermogen had dat de vermogengrens te boven ging.

De Raad is van oordeel dat de gedingstukken en met name de bankafschriften van de door betrok-kene verzwegen bankrekening voldoende grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene over de periode van 21 augustus 2001 tot 4 april 2002 heeft beschikt over een vermo-gen dat hoger was dan het voor haar geldende vrij te laten

vermogen. Appellant was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over die periode in te trekken op de in het besluit van 2 septem-ber 2004 gehanteerde grond. Zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Raad van 20 maart 2007, LJN BA2349, hanteert appellant bij de uitoefening van deze bevoegdheid de beleidsregel dat hij in het geval van het niet of niet behoorlijk

nakomen van de inlichtingenverplichting steeds overgaat tot intrekking of herziening van de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand. Zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld gaat deze beleidsregel de grenzen van een redelijke

beleidsbepaling niet te buiten. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzonde-re omstandigheden op grond waarvan appellant met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van de beleidsregel had moeten afwijken.

De gedingstukken bieden naar het oordeel van de Raad onvoldoende grondslag voor het standpunt van appellant dat betrokkene ook gedurende de periode van 6 november 1998 tot 21 augustus 2001 en van 4 april 2002 tot en met 14 april 2004 heeft beschikt over een vermogen dat hoger was dan het voor haar vrij te laten vermogen. Gemachtigde van

appellant heeft zulks ter zitting ook erkend. Appellant was dan ook niet bevoegd om met toepas-sing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de hier bedoelde periodes in te trekken op de in het besluit van 2 september 2004 gehanteerde grond.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank het besluit van 2 september 2004 ten onrechte heeft ver-nietigd voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 21 augustus 2001 tot 4 april 2002. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en de

aangevallen uitspraak - behoudens voor zover de bepalingen omtrent griffierecht en

proceskosten - voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad - met gegrondverklaring van het beroep - het besluit van

2 september 2004 vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van de

bijstand over de perioden van 6 november 1998 tot 21 augustus 2001 en van 4 april 2002 tot en met 14 april 2004.

De Raad ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van de te vernietigen gedeelten van het besluit van

2 september 2004 in stand te laten. Naar het oordeel van de Raad bestaat er voldoende grond voor de conclusie dat de schending van de inlichtingenverplichting door

betrokkene tot gevolg heeft gehad dat het recht op bijstand over de perioden van

6 november 1998 tot 21 augustus 2001 en van 4 april 2002 tot en met 14 april 2004 niet kan wor-den vastgesteld. De Raad acht in dit kader van belang dat uit de bankafschriften van de verzwegen rekening blijkt dat gedurende de hier bedoelde tijdvakken op die

rekening herhaalde malen stortingen en opnames van grote bedragen hebben

plaatsgevonden en dat verifieerbare gegevens ontbreken omtrent de aard en herkomst van de be-dragen die op de bankrekening zijn gestort en omtrent de besteding van de contant opgenomen be-dragen. Appellant was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en on-der a, van de WWB de bijstand over de hier bedoelde periodes in te trekken op de grond dat be-trokkene de wettelijke inlichtingenverplichting heeft

geschonden als gevolg waarvan haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Onder verwij-zing naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het intrekkingsbeleid van appellant ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant niet in overeenstemming met dit beleid de bijstand zou mogen intrekken over de hier bedoelde periodes.

Ten aanzien van de terugvordering

Gelet op hetgeen hiervoor bij de intrekking is overwogen, was appellant bevoegd om met toepas-sing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van bijstand over de peri-ode van 6 november 1998 tot en met 14 april 2004 van betrokkene terug te vorderen.

Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 27 maart 2007, LJN BA2080, hanteert

appellant de beleidsregel dat bij schending van de inlichtingenverplichting in beginsel steeds wordt teruggevorderd en dat daarvan slechts kan worden afgezien indien de

vordering niet meer bedraagt dan € 115,-- of indien sprake is van dringende redenen.

Van dringende redenen is sprake indien de terugvordering ernstige (of onaanvaardbare)

gevolgen heeft voor het lichamelijk of geestelijk welzijn van belanghebbende. Zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld gaat deze beleidsregel de grenzen van een redelijke

beleidsbepaling niet te buiten. De Raad stelt voorts vast dat appellant in overeenstemming met zijn beleid heeft gehandeld. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere om-standigheden op grond waarvan appellant met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van de beleidsregel had moeten afwijken.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank het besluit van 2 september 2004 ten onrechte heeft ver-nietigd ook voor zover het betreft de terugvordering van de kosten van bijstand. De aangevallen uitspraak komt ook om die reden voor vernietiging in aanmerking.

Het beroep tegen de besluiten van 30 januari 2007 en van 22 februari 2007

Het vorenstaande betekent tevens dat het besluit van 30 januari 2007, zoals aangevuld bij besluit van 22 februari 2007, eveneens voor vernietiging in aanmerking komt, omdat door de vernietiging van de aangevallen uitspraak de grondslag daaraan is komen te ontvallen.

Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens de bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 september 2004 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de perioden van 6 november 1998 tot 21 augustus 2001 en van 4 april 2002 tot en met 14 april 2004;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde gedeelten van het besluit van

2 september 2004 in stand blijven;

Vernietigt het besluit van 30 januari 2007, zoals gewijzigd bij besluit van

22 februari 2007.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en K. Zeilemaker en

J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2007.