Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5562

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
06-989 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet meer ongeschikt voor het verrichten van zijn arbeid. Aangepaste werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/989 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[A. te B. ] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 januari 2006, 05/2347 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. F.H. Garretsen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2007. Namens appellant is verschenen mr. drs. Garretsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is tot de sluiting van het bedrijf op 31 mei 2004 werkzaam geweest in dienst van Muiden Chemie International, waar hij laatstelijk de functie van bedieningsman van een pers/hakmachine heeft vervuld. Appellant heeft zich, vanuit een situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, op 9 september 2004 ziek gemeld vanwege lage rugklachten, uitstralend naar zijn rechterbeen. Op 21 december 2004 heeft appellant het spreekuur van de arts W. Cheung bezocht, die op basis van de anamnese en de bevindingen bij het onderzoek tot de conclusie is gekomen dat er geen zodanige medische objectiveerbare afwijkingen waren dat appellant zijn arbeid niet meer zou kunnen verrichten.

Bij besluit van 24 december 2004 heeft het Uwv appellant bericht dat hij op 27 december 2004 niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en dat hij daarom met ingang van die datum geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). In het kader van de heroverweging in bezwaar is appellant op 23 februari 2005 gehoord door bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek, die tevens een oriënterend lichamelijk onderzoek heeft verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft als diagnose gesteld lage rugklachten als gevolg van osteoporose. Op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts heeft bezwaararbeidsdeskundige L.G.W. Lind onderzoek verricht naar de werkzaamheden die appellant laatstelijk heeft verricht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op 1 maart 2005 gerapporteerd dat appellant in verband met rug- en beenklachten op advies van de bedrijfsarts de laatste drie jaren aangepast werk heeft verricht als bedieningsman van een pers/hakmachine. Het betrof voornamelijk zittend werk, dat naar eigen behoefte kon worden afgewisseld met staan en lopen, dat zeer zorgvuldig en zonder een hoog tempo werd uitgevoerd en waarbij maximaal twee kilogram werd getild. De bezwaarverzekeringsarts, die ook na rappel geen reactie heeft ontvangen van de behandelend internist-endocrinoloog dr. C.B. Brouwer op het verzoek om informatie, heeft op 29 maart 2005 rapport uitgebracht. De bezwaarverzekeringsarts is onder meer gelet op de gestelde diagnose en de beschrijving van de laatstelijk verrichte arbeid tot de conclusie gekomen dat appellant op 27 december 2004 zonder meer in staat moet worden geacht de beschreven arbeid te verrichten. Bij het besluit op bezwaar van 30 maart 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 24 december 2004 gehandhaafd. Bij brief van 5 april 2005 heeft dr. Brouwer onder verwijzing naar haar brief aan appellants huisarts H.H. Koster van 4 januari 2005, waarin onder meer de conclusie is getrokken dat sprake is van osteoporose met verbeterde botdichtheid onder Fosomax-therapie, alsnog aan de bezwaarverzekeringsarts de gevraagde informatie verstrekt. De ontvangen informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapportage van 25 april 2005 geen aanleiding gegeven om af te wijken van zijn eerder oordeel over de hersteldverklaring van appellant per 27 december 2004, waarover appellants gemachtigde bij brief van 25 april 2005 is geïnformeerd.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is ervan uitgegaan dat de mededeling van de behandelend internist dr. Brouwer in een brief, waarop appellant een beroep heeft gedaan, dat het met fysiotherapie geleidelijk aan beter is gegaan met appellant en dat hij inmiddels weer kan werken, slaat op het werk dat appellant laatstelijk heeft verricht dan wel soortgelijk werk. Voorts achtte de rechtbank het hoogst waarschijnlijk dat de mededeling van de internist over een ernstig fractuurrisico betrekking heeft op een voorbije periode uit het verleden.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts geen zorgvuldig onderzoek hebben verricht doordat zij geen informatie hebben ingewonnen bij de behandelend internist. Voorts is appellant van mening dat de rechtbank de brief van dr. Brouwer onjuist heeft uitgelegd en dat de zinsnede ‘inmiddels kan hij gewoon weer werken’ terugslaat op de rugpijn die appellant destijds had en dat het ernstig fractuurrisico nog onverkort bestaat. Appellant stelt zich op het standpunt dat het niet zo kan zijn dat hij het voor hem aangepaste werk kan verrichten uitsluitend en dankzij medicatie die in strijd is met medische richtlijnen van het Centraal Begeleidingsorgaan. Volgens appellant ligt de veronderstelling dat hij kan werken met ernstige lumbale pijnklachten, die door zijn behandelend artsen serieus worden genomen, niet voor de hand. Ter zitting heeft appellants gemachtigde er tevens op gewezen dat in verband met de productie van buskruit sprake was van gevaarlijk werk en dat appellant vanwege het ernstig fractuurrisico bij calamiteiten niet snel adequaat kan reageren.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens de rapportages hebben de ZW-arts en de bezwaarverzekeringsarts onderkend dat appellant lage rugklachten heeft als gevolg van osteoporose. De bezwaarverzekeringsarts, die tevens ermee bekend was dat appellant in verband met deze aandoening circa eens per jaar zijn behandelend internist bezoekt, heeft aanleiding gezien om volledigheidshalve informatie in te winnen bij die internist. Na het uitblijven van die informatie, ook na een rappel, is de bezwaarverzekeringsarts, die de beschikking heeft gehad over de medische gegevens die aan het besluit van 24 december 2004 ten grondslag hebben gelegen, de medische grieven die in bezwaar zijn aangevoerd en de resultaten van het onderzoek tijdens de hoorzitting op 23 februari 2005, overgegaan tot heroverweging van de hersteldverklaring van appellant per 27 december 2004. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts zich op het standpunt kunnen stellen dat de te verwachten medische informatie van de behandelend internist niet zodanig essentieel was dat hij zich zonder die informatie geen zorgvuldig en weloverwogen oordeel kon vormen over de gezondheidstoestand van appellant. De bezwaarverzekeringsarts is daarin bevestigd door de brief van dr. Brouwer van 4 januari 2005, waaruit geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen.

In een ongedateerd schrijven, weergegeven in de brief van huisarts Koster van 28 juni 2005 aan appellants gemachtigde, heeft dr. Brouwer de huisarts onder meer geïnformeerd dat de botdichtheid van appellant geleidelijk is verbeterd, zij het dat er nog een ernstig fractuurrisico blijft bestaan op lumbaal wervelkolom-niveau (LWK-niveau). Voorts heeft dr. Brouwer daarin vermeld dat appellant na het tillen van zakken op zijn werk begin 2002 nog een periode van pijn in de rug en rechterheup heeft gehad, dat het met fysiotherapie geleidelijk aan beter is gegaan en appellant inmiddels weer gewoon kan werken. De Raad acht niet aannemelijk dat dr. Brouwer in dit ongedateerde schrijven, dat naar valt aan te nemen dateert uit 2002 of 2003, een uitspraak heeft gedaan over de mogelijkheid van appellant om op de datum hier in geding, 27 december 2004, zijn arbeid te verrichten. Bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek heeft zich in een rapport van

25 augustus 2005 op het standpunt gesteld dat gelet op de belasting van de door appellant laatstelijk vervulde functie een fractuur op LWK-niveau bij dit werk niet hoger is dan het risico dat hij in het dagelijks leven loopt. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om dit standpunt voor onjuist te houden. Voor het standpunt van appellant dat het ernstig fractuurrisico van de lumbale wervelkolom voor hem een beletsel vormde voor het verrichten van zijn eigen werk met gevaarlijke stoffen heeft de Raad onvoldoende ondersteuning gevonden. De Raad merkt op dat blijkens het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Lind er strenge veiligheidseisen golden ten aanzien van gevaarlijke stoffen en de bedrijfsarts kennelijk in de gezondheidstoestand van appellant geen beletsel heeft gezien om hem de pers/hakmachine te laten bedienen. Bovendien heeft appellant die functie ondanks genoemd fractuurrisico geruime tijd vervuld.

Zoals besproken ter zitting van de Raad, kan uit de brief van dr. Brouwer van 4 januari 2005 niet worden afgeleid dat aan appellant in strijd met medische richtlijnen medicatie is voorgeschreven, zodat in het midden kan blijven of een dergelijke medicatie aan het verrichten van arbeid in de weg staat. De omstandigheid dat huisarts Koster blijkens zijn brief van 28 juni 2005 bij onderzoek op 10 januari 2005 als diagnose lumbago en myogene klachten en op 6 juni 2005 lumbago bij osteoporose heeft gesteld, betekent niet dat appellant ongeschikt was voor het verrichten van rugsparende werkzaamheden, waarvan in het aangepaste werk van appellant onmiskenbaar sprake was.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar als voorzitter en J.F. Bandringa en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2007.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M. Gunter.

JL