Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5526

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
06-4258 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4258 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2006, 05/2150 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Portegies, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Portegies. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 19 oktober 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Daarbij heeft hij aangegeven woonachtig te zijn op het adres [adres].

Naar aanleiding van de aanvraag heeft de Afdeling Controle en Opsporing van de Sociale dienst Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant.

De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 2 november 2004. De onderzoeksresultaten waren voor het College aanleiding om bij besluit van 5 november 2004 de aanvraag van appellant af te wijzen.

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2004 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 maart 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar vaste rechtspraak dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht ter zake juiste en volledige informatie te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellant ten tijde hier van belang daadwerkelijk woonachtig was op het door hem opgegeven adres en verwijst kortheidshalve naar de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

Het betoog van appellant dat onvoldoende is meegewogen dat hij al sinds 1 januari 2003 op het adres [adres] staat ingeschreven en dat er overduidelijk niemand anders op het betreffende adres woonachtig was, faalt. De inschrijving op het adres [adres] doet niets af aan de feitelijke situatie. Evenmin kan het gegeven dat geen ander zijn hoofdverblijf in de woning had de conclusie rechtvaardigen dat appellant daadwerkelijk op het betreffende adres woonachtig was.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent zijn woonadres. Daarmee is hij tekort geschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. De Raad is voorts van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellant ten tijde hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Het College heeft derhalve de aanvraag om bijstand van appellant van 19 oktober 2004 terecht afgewezen.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2007.

(get.) J.M.A. van der Kolk- Severijns.

(get.) R.J. van der Veen.

RB