Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5478

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
06-1544 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juistheid oordeel belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1544 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 26 januari 2006, 05/1088 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2007. Voor appellant is verschenen mr. Van de Laar, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.

II. OVERWEGINGEN

In geding is de vraag of het bestreden besluit van 9 maart 2005, waarbij ongegrond is verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 juni 2004, strekkende tot intrekking met ingang van 1 juli 2004 van de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% berekende uitkering van appellant ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), in rechte kan stand houden.

In navolging van de rechtbank en met overneming van de door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, beantwoordt de Raad die vraag in bevestigende zin. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht, voegt de Raad daaraan nog het volgende toe.

Appellant, die destijds wegens een scala aan klachten, waaronder klachten van psychische aard, is uitgevallen voor zijn werkzaamheden als productiemedewerker, en aan wie in verband daarmee ingaande 22 juli 1998 een volledige uitkering ingevolge de WAO is toegekend, houdt in hoger beroep staande dat onvoldoende is rekening gehouden met in het bijzonder zijn psychische klachten, welke zich met name uiten in een verstoorde agressieregulatie. Appellant stelt als gevolg hiervan zeer snel geprikkeld en dusdanig agressief te raken, dat hij niet in staat is werkzaamheden te verrichten. Daarnaast zouden ook de beperkingen die voortvloeien uit zijn jicht volgens appellant onvoldoende zijn erkend.

De Raad is van oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv een voldoende diepgaand en ook overigens als voldoende zorgvuldig aan te merken onderzoek hebben ingesteld, waarin alle gezondheidsproblemen van appellant genoegzaam in de beoordeling zijn betrokken. Dat geldt ook voor de psychische problematiek van appellant, als hiervoor vermeld. De primaire verzekeringsarts heeft in verband hiermee diverse beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst opgenomen inzake het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft na informatie te hebben ingewonnen bij de GGZ Oost Brabant en de huisarts van appellant, aanleiding gevonden nog enkele beperkingen hieraan toe te voegen in verband met de jichtklachten van appellant.

Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die steun bieden aan zijn hiervoor vermelde eigen opvatting met betrekking tot zijn – psychische en/of somatische - gezondheidssituatie en de daaruit voor hem ten tijde hier van belang voortvloeiende arbeidsbeperkingen.

Er aldus van uitgaande dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat, staat voor de Raad voorts genoegzaam vast dat de – vier – functies die als grondslag voor de onderhavige schatting resteren binnen het bereik van appellant liggen.

De WAO-uitkering van appellant is terecht ingetrokken. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, komt voor bevestiging in aanmerking.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel

JL