Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5403

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
06-3846 WSF + 06-3847 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering wegens meerinkomsten uit sparen en beleggen. Nalatenschap met recht van vruchtgebruik. Hardheidsclausule.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 3.17
Wet studiefinanciering 2000 3.17
Wet studiefinanciering 2000 11.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3846 WSF en 06/3847 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 19 juni 2006, 05/871 en 05/873 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[Betrokkene 1], en

[Betrokkene 2],

hierna tezamen ook te noemen: betrokkenen,

en

appellante.

Datum uitspraak: 5 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkenen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om verweerschriften in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2007. Appellante was vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber. Betrokkenen zijn in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Aan betrokkenen is door appellante studiefinanciering toegekend.

Na een controle van de neveninkomsten van betrokkenen aan de hand van door appellante bij de belastingdienst opgevraagde inkomensgegevens, heeft appellante het toetsingsinkomen van betrokkene 1 en 2 over het studiefinancieringstijdvak 2001 vastgesteld op respectievelijk € 24.162,16 en € 23.647,68. Bij de berekening van dit toetsingsinkomen is achtereenvolgens € 21.448,- en € 22.235,- voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking genomen. Op grond hiervan heeft appellante bij besluiten van 18 januari 2005 ten laste van elk van betrokkenen een vordering wegens meerinkomen vastgesteld van in totaal € 3.161,76.

Door betrokkenen is bezwaar gemaakt. Daarbij hebben zij in hoofdzaak gesteld dat het onbillijk is dat appellante in de onderhavige gevallen inkomensgegevens die zijn verkregen van de belastingdienst zonder enige correctie bij de berekening van het toetsingsinkomen als maatstaf hanteert. Het vermogen van betrokkenen bestaat uit een gedeelte van de nalatenschap van hun op 13 februari 2000 overleden vader. Op dat gedeelte van die nalatenschap is ten gunste van de moeder van betrokkenen een recht van vruchtgebruik gevestigd. De belastingdienst is er daarom, aldus betrokkenen, ten onrechte van uitgegaan dat zij voordeel uit sparen en beleggen hebben genoten. Zij hebben immers niet over enig werkelijk voordeel uit vermogen kunnen beschikken.

Bij besluiten van 9 mei 2005 (hierna: bestreden besluiten) is het bezwaar van betrokkenen door appellante onder verwijzing naar artikel 3.17 en artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) ongegrond verklaard.

Betrokkenen hebben vervolgens, onder verwijzing naar de gronden van hun bezwaar, beroep ingesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de inleidende beroepen van betrokkenen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd, een en ander met de opdracht om nieuwe besluiten op bezwaar te nemen en met aanvullende beslissingen inzake de proceskosten en vergoeding van het door betrokkenen betaalde griffierecht. Onder verwijzing naar het oorspronkelijke doel van de wetgever met de in artikel 3.17 van de WSF 2000 neergelegde regeling inzake neveninkomsten van studerenden, is daartoe overwogen dat de in de bestreden besluiten neergelegde weigeringen om toepassing te geven aan de hardheidsclausule niet berusten op een deugdelijke motivering, aangezien betrokkenen enkel bloot eigendom hebben verkregen van een deel van de nalatenschap van hun vader en dus niet hebben kunnen beschikken over deze nalatenschap of de vruchten ervan.

Appellante heeft zich niet kunnen verenigen met de aangevallen uitspraak. Daartoe is door appellante in hoger beroep aangevoerd dat uit de gedrukte stukken met betrekking tot de Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001 (Kamerstukken II, 27 184, nr. 5, blz. 15) kan worden afgeleid dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om bloot eigendom dat is verkregen krachtens erfrecht niet uit te sluiten van de vermogenstoets. Verder is gewezen op divergentie in de rechtspraak.

Ter zitting van de Raad hebben betrokkenen aangevoerd dat het werkelijke rendement van het tot de grondslag gerekende vermogen in het controlejaar 2001 aanmerkelijk minder bedroeg dan het door appellante in aanmerking genomen forfaitaire vermogensrendement. Verder hebben betrokkenen aangegeven dat de belastingdienst bij de vaststelling van de omvang van hun vermogen het recht op vruchtgebruik dat rust op de nalatenschap van hun vader ten onrechte bij betrokkenen in aanmerking heeft genomen en niet bij hun moeder. Dit hangt volgens betrokkenen samen met een fout in de aangiftes van de accountant van hun moeder.

De Raad overweegt het volgende.

Bij de met ingang van 1 januari 2001 in werking getreden Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001 zijn het tweede en zesde lid van artikel 3.17 van de WSF 2000 afgestemd op de gelijktijdige wijzigingen in het belastingstelsel. Sindsdien luidt artikel 3.17, voor zover in de onderhavige gedingen van belang, als volgt:

“1. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van de IB-Groep op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet (…). (…)

2. Het toetsingsinkomen is het totaal van:

a. het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de ingehouden loonbelasting en premies volksverzekeringen en de door de werkgever en de werknemer verschuldigde premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet.

b. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in de artikelen 3.2 en 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, genoten in het desbetreffende kalenderjaar,

(…)

f. het voordeel uit sparen en beleggen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

(…)

5. Bij de berekening van het toetsingsinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de studerende aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen studerende was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering.

Dit kan slechts de periode betreffen:

a. die begint bij de aanvang van het kalenderjaar, of

b. die eindigt bij het einde van het kalenderjaar.

6. Wanneer de studerende een bedrijf uitoefende, wordt, voor de toepassing van het vijfde lid, de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in de artikelen 3.2 en 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, die is behaald in het desbetreffende kalenderjaar, op zijn aanvraag herleid tot maandbedragen door die winst te delen door 12.

7. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die studerende aan de IB-Groep verschuldigd:

a. een bedrag ter grootte van het meerinkomen, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan het bedrag van de met betrekking tot dat kalenderjaar door die studerende ontvangen beurs, en

b. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de kaart, bedoeld in artikel 3.7, het bedrag gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.

(…)

10. Een aanvraag van de studerende aan de IB-Groep om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking met betrekking tot kalendermaanden na de datum van indiening van deze aanvraag.”

Naar het oordeel van de Raad heeft appellante het toetsingsinkomen van betrokkenen in het controlejaar 2001 berekend in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.17 van de WSF 2000.

Aan de orde is vervolgens de vraag of appellante aanleiding had behoren te vinden om met toepassing van de in artikel 11.5 van de WSF 2000 neergelegde hardheidsclausule af te wijken van het tweede lid, aanhef en sub f, van artikel 3.17 van de WSF 2000.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

In artikel 11.5 van de WSF 2000 is aan appellante de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Deze hardheidsclausule biedt appellante niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken op een in de WSF 2000 opgenomen wettelijke bepaling, indien de onverkorte toepassing van die wettelijke bepaling in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.

Uit de volstrekt heldere tekst van artikel 3.17, tweede lid, aanhef en sub f, van de WSF 2000 kan niet anders worden afgeleid dan dat het de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet is dat indien de belastingdienst voor de heffing van inkomsten-belasting over een kalenderjaar een verondersteld voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking neemt, appellante daar - behoudens eventuele (analoge) toepassing van het vijfde lid van artikel 3.17 van de WSF 2000 - voor de bepaling van het toetsingsinkomen bij aansluit. Verder is de Raad uit de gedrukte stukken met betrekking tot specifiek deze wettelijke bepaling niet kunnen blijken dat een strikte uitleg en toepassing ervan in het onderhavige concrete geval niet in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever. Ten aanzien van de in de aangevallen uitspraak opgenomen verwijzing naar het oorspronkelijke doel van de wetgever met de thans in artikel 3.17 van de WSF 2000 neergelegde regeling, dat in de Memorie van Toelichting bij de WSF 2000 nog is bevestigd (Kamerstukken II, 26 873, nr. 3, blz. 43), overweegt de Raad dat dit oorspronkelijke doel uitgangspunt is geweest bij het oorspronkelijke wetsontwerp, maar door de Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001 een deel van zijn betekenis verloren heeft. Daarom is de Raad van oordeel dat er geen grond is om te bepalen dat appellante in het onderhavige geval met toepassing van de hardheidsclausule af moet wijken van artikel 3.17, tweede lid, aanhef en sub f, van de WSF 2000.

Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep van appellante doel treft, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

Vervolgens ligt in de onderhavige gedingen opnieuw de vraag voor of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

De Raad beantwoordt deze rechtsvraag bevestigend.

Met betrekking tot de vraag of appellante aanleiding had behoren te vinden om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van het tiende lid van artikel 3.17 van de WSF 2000 overweegt de Raad daartoe als volgt.

Appellante hanteert een vaste gedragslijn die inhoudt dat - kort weergegeven - de omstandigheid dat een studerende niet heeft kunnen of in redelijkheid niet heeft behoeven te anticiperen op een overschrijding van de vrije voet een omstandigheid vormt op grond waarvan appellante met toepassing van de hardheidsclausule afwijkt van artikel 3.17, tiende lid, van de WSF 2000, mits deze studerende na de overschrijding van de vrije voet appellante daarvan alsnog uit eigen beweging en met enige voortvarendheid op de hoogte heeft gesteld. Daarbij geldt wat betreft het studiefinancieringstijdvak 2001 dat een ver-zoek om toepassing te geven aan deze gedragslijn moet zijn ingediend voor 1 april 2004.

Volgens constante rechtspraak kan wat betreft de hiervoor weergegeven vaste gedragslijn, met inbegrip van de daarin voor 2002 opgenomen termijn, niet worden gezegd dat deze gedragslijn een onredelijke invulling vormt van appellantes bevoegdheid om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van de wet. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 26 januari 2007, 06/1416 WSF (LJN AZ7267).

Verder is de Raad wat betreft de toepassing van genoemde gedragslijn in de onderhavige gevallen van oordeel dat appellante zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkenen niet hebben voldaan aan de van de gedragslijn deel uitmakende voorwaarde dat een verzoek binnen de daartoe vastgestelde termijn moet worden ingediend. Betrokkenen hebben immers pas naar aanleiding van de vastgestelde vorderingen wegens meerinkomen (impliciet) verzocht om het studiefinancieringstijdvak 2001 in te korten, terwijl niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan verschoonbaar moet worden geacht dat betrokkenen niet eerder een zodanig verzoek hebben ingediend of ten minste opgave hebben gedaan van hun meerinkomen in 2001.

In dit verband is door de Raad overwogen dat in het voorlichtingsmateriaal inzake de gevolgen van eigen inkomsten naast studiefinanciering, zoals dat ten tijde van belang door appellante is verspreid, duidelijk is vermeld dat voordeel uit sparen en beleggen wordt gerekend tot het toetsingsinkomen. Gelet op de ingrijpende wijzigingen in het Nederlandse belastingstelsel per 2001 en de omvang van het door de belastingdienst aan betrokkenen toegerekende vermogen, had het bovendien zonder meer op de weg van betrokkenen gelegen om uit eigen beweging aan appellante opgaaf te doen van dit vermogen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de onderhavige weigeringen van appellante om toepassing te geven aan de hardheidsclausule in rechte stand kunnen houden.

Tot slot merkt de Raad nog op dat appellante bij de vaststelling van een vordering wegens meerinkomen op grond van artikel 3.17 van de WSF 2000, anders dan bij de vaststelling van een vordering wegens meerinkomen op grond van het tot 1 september 2000 geldende artikel 26 van de WSF, geen verdragsrechtelijke evenredigheidsmaatstaf hoeft te hanteren.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de inleidende beroepen van betrokkenen alsnog ongegrond te worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de inleidende beroepen alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M. Gunter.

GdJ