Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5400

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
05-5680 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5680 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 augustus 2005, 04/658 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als expeditiemedewerker toen hij zich op 9 oktober 2002 ziek meldde met pijn in de nek en de rechter schouder. Appellant is in het kader van de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 15 september 2003 onderzocht door de verzekeringsarts M. Oldenbeuving-Smits. Zij beschreef in haar rapport van 3 oktober 2003 de klachten en gaf naar aanleiding van het lichamelijk onderzoek aan dat appellant alles goed kon bewegen, maar dat bewegen van zijn hoofd van links naar rechts, alsmede tillen en kracht zetten pijnlijk was. Volgens Oldenbeuving-Smits beleefde appellant zijn klachten anders dan zij kon objectiveren en legde zij – onder het stellen van de diagnose somatoforme stoornis – haar bevindingen vast in de (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst van 15 september 2003. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 18 november 2003 selecteerde de arbeidsdeskundige G.W. Jonker blijkens een rapport van 27 november 2003 een aantal functies en berekende hij, uitgaande van de middelste van de drie hoogst belonende functies, het verlies aan verdienvermogen op 6,7%. Hierna weigerde het Uwv bij besluit van 1 december 2003 aan appellant met ingang van 13 december 2003 de gevraagde WAO-uitkering.

In de bezwaarprocedure had de bezwaarverzekeringsarts W.G.F. Geerlings blijkens het rapport van 19 april 2004 de beschikking over informatie van de behandelend fysio-therapeut, de haptonoom en de huisarts. Volgens de brief van de fysio-therapeut van 8 december 2003 namen de door haar vermelde nekklachten nog steeds geleidelijk af en nam de belastbaarheid toe. Geerlings haalde voorts door hem na de hoorzitting opgevraagde informatie van de revalidatiearts van 16 oktober 2003 aan, waarin deze wees op het geringe ziekte-inzicht van appellant en op de discrepantie tussen de belastbaarheid en belasting, welke visie deze arts handhaafde in zijn brief van 15 april 2004. Geerlings concludeerde dat appellant veel klachten en beperkingen claimde, dat bij de diverse onderzoeken hiervoor geen plausibele verklaring is gevonden, dat de door Oldebeuving-Smits gestelde diagnose zeker verdedigbaar is en dat er geen medische redenen zijn om af te wijken van de vastgestelde belastbaarheid. Vervolgens verklaarde het Uwv het door appellant tegen het besluit van 1 december 2003 gemaakte bezwaar bij besluit van 21 april 2004 ongegrond.

In de beroepsprocedure tegen het besluit van 21 april 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat de FML onjuist is ingevuld en dat deze een groot verschil vertoonde met de door de bedrijfsarts ingevulde versie. Tevens heeft de gemachtigde – onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van

9 november 2004 (o.a. LJN:AR4716) – aangevoerd dat het bestreden besluit een deugdelijke arbeidskundige toelichting en motivering ontbeerde.

De rechtbank heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van 1 februari 2005 aan de vertegenwoordiger van het Uwv gevraagd over te leggen het tijdens diens betoog vermelde rapport van Jonker van 31 januari 2005, waarin een nadere toelichting wordt gegeven inzake de medische geschiktheid van de geduide functies met onder andere bespreking van de niet-matchende items. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de gemachtigde van appellant de gelegenheid te bieden om op het rapport van Jonker te reageren, alsmede op de door het Uwv over te leggen stukken inzake de ter zitting van de rechtbank ter sprake gekomen ziekmeldingen in 2004.

Bij brief van 17 februari 2005 heeft het Uwv ook de informatie betreffende de ziekmeldingen van appellant op 2 en 26 februari, alsmede 5 oktober 2004 en de hersteldverklaringen van 9 februari, 9 juli en 25 oktober 2004 overgelegd.

De gemachtigde van appellant heeft op 15 maart 2005 gereageerd op deze informatie en heeft aangegeven – kort gezegd – dat de bezwaren tegen de medische grondslag van het bestreden besluit en de motivering van de medische geschiktheid van de geduide functies gehandhaafd blijven. Wat betreft de medische grondslag heeft de gemachtigde er nog op gewezen dat de beslissingen inzake de Ziektewet in 2004 op zich in dit geding niet ter discussie staan maar dat de gang van zaken betreffende deze ziekmeldingen wel inzicht geven in de consistentie van de klachten van appellant. Voorts heeft de gemachtigde nog het rapport van de behandelend neuroloog van 1 juli 2004 overgelegd. Bij brief van

30 maart 2005 heeft de gemachtigde van appellant nog informatie betreffende de door de neuroloog verrichte MRI-onderzoeken van 28 april en 10 juni 2004 overgelegd.

Op de door de gemachtigde ingebrachte stukken heeft het Uwv gereageerd bij brief van 24 mei 2005 en in het bijzonder op de informatie van de behandelend neuroloog door overlegging van het rapport van Geerlings van 23 mei 2005.

De rechtbank heeft – na van partijen verkregen toestemming voor het achterwege laten van een nadere zitting – bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en heeft voorts overwogen dat er geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de geselecteerde functies niet binnen de medische beperkingen van appellant blijven. De rechtbank motiveerde haar beslissingen ten aanzien van het bestreden besluit met ook harerzijds te verwijzen naar de hiervoor vermelde uitspraken van de Raad van 9 november 2004.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in eerste aanleg aangevoerde gronden en argumenten ter onderbouwing van de zijns inziens onjuiste medische grondslag van het bestreden besluit en ontoereikende motivering van de medische geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies in essentie herhaald. Tevens heeft de gemachtigde aangevoerd dat de rechtbank, gelet op artikel 8:58 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb), geen acht had behoren te slaan op het ter zitting van de rechtbank overgelegde rapport van Jonker.

Met betrekking tot laatstgenoemde grief, welke de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad desgevraagd niet heeft prijsgegeven, overweegt de Raad dat evenbedoeld rapport van Jonker, anders dan de gemachtigde meent, niet met voorbijgaan aan de in artikel 8:58 van de Awb vermelde termijn voor het indienen van stukken voor de zitting is overgelegd, maar desgevraagd door de rechtbank door de gemachtigde van het Uwv op de zitting van de rechtbank is overhandigd na mededeling van die gemachtigde dat hij dit rapport bij zich had. De aanvaardbaarheid van een dergelijke gang van zaken vindt naar het oordeel van de Raad haar begrenzing in de beginselen van een goede procesorde. De Raad is van oordeel dat deze in dit geval door de rechtbank geenszins zijn geschonden, nu zij, zoals hiervoor is weergegeven, de gemachtigde van appellant in de gelegenheid heeft gesteld nader op dit rapport te reageren, hetgeen deze gemachtigde ook daadwerkelijk heeft gedaan.

De Raad heeft voorts geen aanleiding gezien wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. In dit verband wijst de Raad, naast de hiervoor weergegeven conclusies van de onderzoeken van Oldebeuving-Smits en Geerlings, erop dat uit het bij de rechtbank overgelegde rapport van de behandelend neuroloog valt af te leiden dat de bevindingen van de hiervoor vermelde MRI-onderzoeken wel een neurologische verklaring geven voor de pijnklachten van appellant aan de nek, maar niet voor de door appellant gestelde problemen aan de rechter arm. Mede gelet op de reactie van Geerlings op evenbedoeld rapport heeft de Raad geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat in de FML terzake van de nekklachten onvoldoende beperkingen zijn aangenomen. De stelling van de gemachtigde van appellant dat de bedrijfsarts op de FML aanzienlijk meer beperkingen heeft aangegeven dan in de door Oldebeuving-Smits vastgestelde FML, leidt de Raad niet tot het oordeel dat de FML door het Uwv onjuist is vastgesteld. In de eerste plaats is het de uitsluitende taak van de verzekeringsarts om de beperkingen van een verzekerde in kaart te brengen en vast te leggen in de FML en is de verzekeringsarts daarbij niet gehouden tot een bijzondere motivering in het geval deze vastlegging een andere uitkomst heeft dan een door de bedrijfsarts ingevuld exemplaar van de FML. Voorts wijst de Raad erop dat aan de door de bedrijfsarts ingevulde FML elke nadere onderbouwing ontbreekt en dat deze FML alleen het aankruisen van de hokjes ja of nee inhield en niet ook de graderingsvarianten vermeldde die de verzekeringsarts bij het vastleggen van een beperking ter beschikking staan en gebruikt.

Wat betreft de motivering van de medische geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies stelt de Raad voorop dat uit het rapport van Jonker van 31 januari 2005 blijkt dat de, overigens voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen niet relevante, functie parkeerwachter (SBC-code 342022), alsnog is vervallen. Voorts acht de Raad de medische geschiktheid van de overgebleven functies voldoende gemotiveerd in dit rapport, waarin met name is ingegaan op de niet-matchende items en waarin voorts aan de hand van de in de functies voorkomende belastingen op de onderdelen bovenschouderhoogte actief zijn, gebogen actief zijn en het maken van hoofdbewegingen is gemotiveerd hoe deze belastingen zich verhouden tot de vastgestelde belastbaarheid. De Raad heeft geen aanleiding gezien deze nadere motivering voor onjuist te houden, ook niet ten aanzien van het maken van hoofdbewegingen (elk werkuur 300 x 30 graden) in de functie machinebediende (SBC-code 264122). Zelfs indien de gemachtigde van appellant evenwel zou worden gevolgd in zijn bezwaar tegen deze functie op dit aspect, dan nog zou bij het vervallen van deze functie een genoegzaam aantal functies resteren zodat dit niet zou leiden tot een relevante wijziging van het verlies aan verdienvermogen.

Al het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL