Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5305

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
05-5303 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering. Omvang geding. Berekening maatmaninkomen. Vaststelling referteperiode.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/318 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5303 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 juli 2005, 04/2016 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.J.A. Elling, belastingadviseur te Anna Paulowna, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H. Janssen van 5 december 2005 in het geding gebracht.

Bij brief van 6 juli 2007, bij de Raad ingekomen op 9 juli 2007, heeft appellant zijn standpunt nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2007. Voor appellant is verschenen Elling voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als zelfstandig bandenhandelaar toen hij op 1 oktober 2002 zijn werkzaamheden staakte met uiteenlopende lichamelijke klachten.

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het Uwv geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), op de grond dat hij op en na 29 september 2003 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

Bij besluit van 4 oktober 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het namens appellant tegen het besluit van 27 januari 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat het bestreden besluit is gebaseerd op een deugdelijke medische grondslag en dat de voor appellant geselecteerde functies voor hem geschikt zijn te achten. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad voorts de volgende door de rechtbank gegeven overwegingen:

“4.5.3.Ten aanzien van de berekening van het maatmanloon overweegt de rechtbank dat naar vaste jurisprudentie van de CRvB, (zoals blijkt uit de uitspraak van 1 januari 2005, 03/1647, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LNJ: AS5650) bij de bepaling van het maatmaninkomen voor een zelfstandige voor de gevallen waarin dat praktisch mogelijk is, steeds als uitgangspunt dient te gelden de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid.

Eiser heeft naast zijn bandenhandel tot in het jaar 2000 een transportonderneming gedreven. Deze onderneming leed aanzienlijke verliezen. Eiser heeft – uiteraard – zowel de winst uit de bandenhandel als het verlies in de transportonderneming bij zijn belastingaangifte verantwoord. Verweerders arbeidsdeskundige is bij de vaststelling van het maatloon uitgegaan van de fiscale winst die eiser heeft behaald met beide bedrijven in de drie boekjaren voor de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Dit heeft ertoe geleid dat eisers negatieve inkomsten over de jaren 1999 en 2000 bij de berekening van het maatmanloon op nul zijn gesteld. Namens eiser is bepleit bij de berekening van het maatmanloon het verlies van de transportmaatschappij, nu deze onderneming op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet meer bestond, in zijn geheel buiten beschouwing te laten.

De rechtbank ziet geen reden om in dit geval af te wijken van de hoofdregel dat wordt uitgegaan van de nettowinst over de laatste drie boekjaren en niet alleen van het laatste boekjaar. Evenmin ziet de rechtbank reden om te zeggen dat verweerder ter bepaling van eisers maatmaninkomen het verlies en de winst van eisers ondernemingen niet met elkaar mocht verrekenen. Eiser heeft dat – voor de fiscus – immers ook gedaan. En ook de WAZ-premie is berekend aan de hand van de gecumuleerde resultaten van eisers ondernemingen. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zijn ondernemingen dusdanig te onderscheiden waren dat de verrekening van de resultaten daarvan achterwege moest blijven."

Het hoger beroep keert zich – gemotiveerd – tegen de aangevallen uitspraak.

De Raad zal allereerst de omvang van het geding in hoger beroep vaststellen.

In de brief van 12 oktober 2005, waarin de gronden van het hoger beroep worden uiteengezet, heeft appellant zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er verschil van mening bestaat over de berekening van het maatmaninkomen. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat zijn transportbedrijf in 2002 al twee jaar ter ziele was. Zijns inziens levert dit een praktische grond op die maakt dat een uitzondering zou moeten worden aanvaard op de in de jurisprudentie van de Raad neergelegde hoofdregel. Appellant heeft de Raad verzocht te beslissen conform een eigen berekening, resulterend in een arbeidsongeschiktheidspercentage van 27,23%.

In de in rubriek I aangehaalde brief van 6 juli 2007 heeft appellant vervolgens – onder meer – het volgende opgemerkt:

“Vooruitlopend op de mondelinge behandeling van 17 juli 2007 wil ik u er graag aan op de hoogte stellen dat ik een nader punt wil inbrengen in het geschil. Ik zal dit opnemen in mijn pleitnota. Zoals u uit de stukken kunt opmaken heb ik bij de rechtbank de juistheid van het medisch onderzoek alsook de methodiek van de FML aan de orde gesteld. In het beroepschrift ingediend bij uw Raad heb ik dat standpunt echter niet meer opgenomen. Gelet echter op uw uitspraak van 12 oktober 2006 (RSV 2006/354) alsook het door u naar aanleiding daarvan uitgegeven persbericht heb ik aanleiding gevonden om dit toch aan u voor te leggen. Met name speelt ook hier dat de geduide functies niet op alle punten medisch passend zijn. (…)

Van een overleg tussen de (bezwaar)arbeidsdeskundige en de (bezwaar)verzekeringsarts is mij niets gebleken. Reeds hierom zal het besluit wegens een gebrek aan motivering dienen te worden vernietigd.”

Ter zitting heeft appellant het in de brief van 6 juli 2007 gestelde nader toegelicht.

De Raad stelt voorop dat het (hoger) beroepschrift van appellant naar inhoud en strekking niet anders kan worden begrepen dan dat daarin (slechts) het oordeel van de rechtbank inzake (de berekening van) het maatmaninkomen wordt bestreden. Naar het oordeel van de Raad verzet artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, zich, mede in het licht van de uitspraak van de Raad van 17 april 2007 (LJN: BA2955) voorts tegen de door appellant – blijkens zijn brief van 6 juli 2007 – voorgestane uitbreiding van het geding in hoger beroep. De omvang van het geding wordt immers primair bepaald door het (hoger) beroepschrift. Dat beroepschrift bevatte, als gezegd, als exclusieve beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte appellants grieven met betrekking tot het maatmaninkomen heeft verworpen. De Raad zal zich derhalve beperken tot het punt van geschil, zoals opgeworpen in het hoger beroepschrift en voorbijgaan aan de andersluidende beroepsgronden in de brief van 6 juli 2007.

Zich vervolgens beperkend tot het resterende punt van geschil, overweegt de Raad het volgende.

In zijn rechtspraak, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 30 maart 2006, gepubliceerd in USZ 2006/148 (LJN: AV9060), heeft de Raad als hoofdregel neergelegd dat in gevallen waarin dat praktisch mogelijk is bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige in beginsel dient te worden uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voorafgaande aan het jaar van intreden van de arbeidsongeschiktheid. Naar de Raad vaker heeft overwogen stoelt die hoofdregel op de wenselijkheid, gezien de veelal wisselende inkomsten van een zelfstandige, de representativiteit van het maatmaninkomen te vergroten en het telkenmale voeren van discussies over allerlei min of meer arbitraire aspecten te voorkomen.

Een andersluidende vaststelling van genoemde referteperiode kan aangewezen zijn indien daarvoor praktische gronden bestaan, bijvoorbeeld in geval de zelfstandige korter dan drie jaar als zodanig heeft gewerkt. Hiervan afgezien zal echter, met het oog op handhaving van de praktische hanteerbaarheid van genoemde hoofdregel, binnen de grenzen van de redelijkheid aan genoemde periode van drie jaar dienen te worden vastgehouden. Ruimte voor afwijking is er dan ook slechts in zeer bijzondere gevallen, waarin evident is dat de in de referteperiode van drie jaren behaalde winst geen reële afspiegeling vormt van de verdiencapaciteit als gezonde zelfstandige.

De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met de door de rechtbank gegeven overwegingen. In hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, heeft de Raad onvoldoende grond gevonden om een uitzondering te aanvaarden op de hiervoor weergegeven hoofdregel. Ook naar het oordeel van de Raad is er geen sprake van een zeer bijzonder geval, waarin evident is dat de in de referteperiode van drie jaar behaalde winst geen reële afspiegeling vormt van de verdiencapaciteit als gezonde zelfstandige. De namens appellant in zoverre voorgedragen grief moet dan ook worden verworpen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2007.

(get.) K.J.S. Spaas

(get.) M.C.T.M. Sonderegger

MK