Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
05-5709 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare overschrijding bezwaartermijn. Besluit op voorgeschreven wijze bekend gemaakt?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5709 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 augustus 2005, 03/1789 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. van Sambeek, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 28 augustus 2007, waar partijen met bericht van verhindering niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was eigenaar van een eenmanszaak. Bij hem was werkzaam [naam werknemer] (hierna: werknemer). Werknemer is met ingang van 17 januari 2002 uitgevallen voor zijn werk. Op 6 november 2002 hebben werknemer en appellant gezamenlijk bij het Uwv een verzoek ingediend tot verlenging van de wachttijd als bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het Uwv heeft bij besluit van 6 december 2002 de wachttijd verlengd met een periode van 52 weken. Appellant heeft vervolgens bij aanvraag, gedateerd 12 april 2003, het Uwv verzocht de verlengde wachttijd te verkorten. Bij besluit van 28 april 2003 heeft het Uwv de verlengde wachttijd verkort en de laatste dag van de wachttijd vastgesteld op 26 juli 2003.

Namens appellant is bij brief van 2 juni 2003 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 december 2002. Daarbij is aangevoerd dat appellant nimmer een afschrift van dit besluit heeft ontvangen. Eerst op 22 mei 2003 is zijn gemachtigde door een medewerker van het Uwv telefonisch van dit besluit op de hoogte gebracht en is aan gemachtigde een afschrift van het besluit van 6 december 2002 toegezonden.

Op de hoorzitting, gehouden op 18 september 2003, heeft gemachtigde te kennen gegeven dat het bij brief van 2 juni 2003 gemaakte bezwaar tevens is gericht tegen het besluit van 28 april 2003.

Bij besluit van 23 september 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 december 2002 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Daartoe is overwogen dat appellant reeds eind maart/begin april bekend was met het gegeven dat de wachttijd was verlengd, aangezien hij op 12 april 2003 verkorting heeft aangevraagd van de wachttijd. Vervolgens heeft hij nagelaten zo spoedig als mogelijk bezwaar te maken tegen het besluit van 6 december 2002. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv tevens het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 april 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 december 2002 heeft de rechtbank overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat het besluit van 6 december 2002 niet op de voorgeschreven wijze aan appellant is bekend gemaakt. De rechtbank is echter met het Uwv van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat appellant op of omstreeks 12 april 2003 bekend is geworden met het besluit tot verlenging van de wachttijd. Appellant heeft met indiening van het bezwaarschrift van 2 juni 2003 niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk alsnog bezwaar gemaakt. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2002 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Namens appellant is in hoger beroep de aangevallen uitspraak gemotiveerd betwist.

De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2002

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Artikel 6:8 van de Awb schrijft voor dat die termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 3:41 van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van een besluit dat tot één of meer belanghebbenden is gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan die belanghebbenden.

In het onderhavige geval staat vast dat het besluit van 6 december 2002 niet is uitgereikt aan appellant dan wel aangetekend of met een bevestiging van de ontvangst aan hem is verzonden. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, komt bij gebreke van aangetekende verzending het risico van het niet kunnen aantonen dat het betreffende besluit daadwerkelijk is verzonden, in beginsel voor rekening van het bestuursorgaan. De Raad zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die een aanknopingspunt bieden voor het oordeel dat dit bewijsrisico in dit geval niet voor rekening van het Uwv zou moeten komen. Daarbij is van belang dat zich in het dossier slechts een kopie van het besluit van 6 december 2002 dat is gericht aan de werknemer bevindt, terwijl een kopie van een aan appellant gericht exemplaar in de gedingstukken ontbreekt.

Het vorenstaande betekent dat verzending van het besluit op 6 december 2002 in rechte niet kan worden aangenomen en dat derhalve de termijn als bedoeld in artikel 6:8 van de Awb niet is aangevangen één dag na 6 december 2002. Op grond van de stukken neemt de Raad als vaststaand aan dat naar aanleiding van het telefonisch contact op 22 mei 2003 van gemachtigde met een medewerker van het Uwv een afschrift van het besluit van 6 december 2002 aan gemachtigde is toegezonden. De termijn bedoeld in artikel 6:8 van de Awb is derhalve aangevangen na 22 mei 2003. Het daartegen ingediende bezwaarschrift van 2 juni 2003 is door het Uwv op of (kort) na die datum en derhalve tijdig ontvangen.

Het voorgaande brengt mee dat appellant niet gehouden was om zo spoedig mogelijk nadat hij bekend was geworden met het gegeven dat de wachttijd was verlengd, bezwaar te maken. De omstandigheid dat een belanghebbende op de hoogte is van de inhoud van een met betrekking tot hem genomen besluit kan immers niet gelden als een bekendmaking van dat besluit als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 december 2002 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De aangevallen uitspraak kan in zoverre geen stand houden en komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2002, dient te worden vernietigd. De Raad zal het Uwv opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De Raad gaat er vanuit dat het Uwv werknemer zal betrekken bij zijn nadere besluitvorming. Tevens zal het Uwv bij zijn nadere besluitvorming aandacht dienen te besteden aan het verzoek van appellant tot vergoeding van de door hem geleden schade en de door hem gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

Met betrekking tot het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2003

De Raad staat allereerst - ambtshalve oordelend - voor de vraag of het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 april 2003 door het Uwv terecht ontvankelijk is verklaard en overweegt daartoe als volgt.

De Raad gaat op grond van de gedingstukken er vanuit dat de bekendmaking van het besluit van 28 april 2003 is geschied op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze en aan appellant op die dag is verzonden. De termijn bedoeld in artikel 6:8 van de Awb vangt derhalve aan op 29 april 2003 en eindigt op 10 juni 2003. Alhoewel gemachtigde op de hoorzitting van 18 september 2003 te kennen heeft gegeven dat het tegen het besluit van 6 december 2002 gemaakte bezwaar tevens gericht is tegen het besluit van 28 april 2003, bevat het bezwaarschrift van 2 juni 2003 geen enkele aanwijzing dat het ook betrekking heeft op het besluit van 28 april 2003. Dit betekent dat binnen de geldende bezwaartermijn van zes weken geen bezwaarschrift is ingediend tegen het besluit van 28 april 2003. Voor zover er al sprake is van een op de hoorzitting van 18 september 2003 ingediend bezwaarschrift tegen het besluit van 28 april 2003, is die indiening in dat geval ruim buiten de gestelde bezwaartermijn van zes weken.

Omstandigheden op grond waarvan ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend bezwaarschrift ingevolge artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, zijn niet gesteld en de Raad ook niet gebleken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 april 2003 ten onrechte ontvankelijk is verklaard. De rechtbank heeft dit bij de aangevallen uitspraak niet onderkend, zodat ook dit onderdeel van de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en het beroep gegrond dient te worden verklaard. Het bestreden besluit dient, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2003, eveneens te worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in de zin van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, aangezien een nieuw besluit op bezwaar er slechts toe kan leiden dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Met betrekking tot de proceskostenveroordeling

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 december 2002 met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Verklaart het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 april 2003 niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL