Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
06-6246 AOW + 06-6248 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen naar norm ongehuwde met gezamenlijke huishouding. Criteria. Hoofdverblijf? Wederzijdse zorg?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6246 AOW

06/6248 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 oktober 2006, 06/1521 en 06/1522 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: de Svb)

Datum uitspraak: 25 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2007. Appellanten zijn verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante (hierna: [appellant 1]) en appellant (hierna: [appellant 2]) ontvingen vanaf respectievelijk 1 maart 1998 en 1 april 1991 ieder een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), berekend naar de norm voor een ongehuwde.

In 2005 heeft de Svb naar aanleiding van een tip een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende pensioenen. In dat kader zijn door de buitendienst van de Sociale verzekeringsbank onder meer buurtbewoners van appellante en appellant in [naam gemeente] en [woonplaats] gehoord. Bij dat onderzoek zijn appellanten zelf ook gehoord.

Op grond van de bevindingen van dat onderzoek, zoals neergelegd in het proces-verbaal van 15 juli 2005, heeft de Svb bij besluiten van 19 augustus 2005 en 25 augustus 2005 de ouderdomspensioenen van respectievelijk [appellant 1] en [appellant 2] met ingang van 1 maart 1998 herzien en voor beiden nader vastgesteld naar de norm voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert.

Bij afzonderlijke besluiten van 17 maart 2006 heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van 19 augustus 2005 en 25 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 17 maart 2006 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 1, derde lid van de AOW. voor zover van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het vierde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat de betrokkenen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft moet naar vaste rechtspraak worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten ten tijde hier van belang stonden ingeschreven op verschillende adressen. Aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning kan evenwel ook zijn voldaan indien, ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte, toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche een toereikende grondslag bieden voor het standpunt dat appellanten over de periode van 1 maart 1998 tot het moment van de verkoop van de woning van [appellant 1] aan [adres 1] te [naam gemeente], waar zij zich op 8 oktober 1998 heeft laten uitschrijven, daar hun hoofdverblijf hadden. [appellant 1] heeft zich laten overschrijven naar de gemeente [gemeente 2] aan het adres [adres 2]. Uit de verklaring van appellanten moet de conclusie worden getrokken dat [appellant 1], na haar vertrek uit [naam gemeente], bij [appellant 2] is ingetrokken aan de [adres 3] te [woonplaats]. De zoon van appellanten heeft toen de woning van zijn vader in [woonplaats] verlaten en is gaan wonen in de woning in [gemeente 2]. In de gehuurde woning in [gemeente 2] kwam [appellant 1] met grote regelmaat langs om te zorgen voor haar zoon die op 18 maart 2001 is overleden. De woning is vervolgens aangehouden door [appellant 1] zonder dat zij daar nimmer haar hoofdverblijf heeft gehad. Uit vorenstaande vloeit voort dat appellanten ten tijde in geding doorlopend hun hoofdverblijf bij elkaar hebben gehad. Deze conclusie vindt voorts steun in de door buren uit [naam gemeente], [gemeente 2] en [woonplaats] afgelegde verklaringen.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dat het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.

Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of een het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Naar het oordeel van de Raad komt uit de verklaringen van appellanten, afgelegd op 24 juni 2005, in voldoende mate naar voren dat er ten tijde in geding sprake was van wederzijdse zorg. Zo is gebleken dat eisers in 1984 van elkaar zijn gescheiden maar niettemin altijd partners zijn gebleven. [appellant 2] heeft in de periode dat werd samengewoond in [naam gemeente] altijd de kosten van de boodschappen voor zijn rekening genomen. Door appellanten worden gezamenlijk de boodschappen gedaan en betaald vanaf het moment dat [appellant 1] bij [appellant 2] in [woonplaats] is ingetrokken. Van de auto wordt gezamenlijk gebruik gemaakt en [appellant 1] doet de was en verricht de noodzakelijke huishoudelijke activiteiten in de woning te [woonplaats]. [appellant 1] heeft in [woonplaats] haar eigen administratie en voert die tevens voor [appellant 2].

Het hiervoor genoemde samenstel van feiten kan volgens de Raad dan ook niet tot een andere conclusie leiden dan dat appellanten vanaf 1 maart 1998 een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 1, vierde lid, van de AOW. Hieraan doet niet af dat appellanten nadien hun verklaringen hebben herroepen en hebben verklaard tijdens de verhoren onder zware psychische druk te hebben gestaan en dat als zeer traumatisch hebben ervaren. Terzake wordt verwezen naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen waarbij de vaste rechtspraak van de Raad is gevolgd.

Hetgeen dat door appellanten ter zitting nog is aangevoerd heeft de Raad ook niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de Svb terecht heeft volhard in zijn standpunt dat ieder van appellanten vanaf 1 maart 1998 geen recht had op een ouderdomspensioen voor een ongehuwde, zodat de Svb, gelet op het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de AOW gehouden is om tot herziening over te gaan.

De Raad ziet voorts in de omstandigheden van appellanten geen grond voor het oordeel dat er sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 september 2007.

(get.) Th.C. van Sloten

(get.) P.C. de Wit

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.