Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5284

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
06-5544 CSV + 06-5557 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Correctie- en boetenota's. Verzekeringsplicht? Gezagsverhouding? Eigendomsverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5544 CSV

06/5557 CSV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene] en de

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 september 2006, 05/1195 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 25 september 2007.

I. PROCESVERLOOP

Partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft haar beroep nader aangevuld bij schrijven van 22 november 2006.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2007. Betrokkene heeft zich daar doen vertegenwoordigen door S. Kok, belastingconsulent te Zwolle, terwijl het Uwv zich heeft doen vertegenwoordigen door P.R.H. Min, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die luidden ten tijde in geding

Betrokkene is op 21 november 1985 opgericht. De aandelen zijn bij de oprichting verdeeld in de verhouding 50% voor de familie [L.] en 50% voor de familie [P.]. Nadat er binnen het 50% bezit van beide families kleine wijzigingen in de aandelenverhouding waren doorgevoerd heeft P.J. [B.] op 19 juli 2000 5% van de aandelen van de familie [P.] overgenomen en is het tot de volgende aandelenverhouding gekomen: H. [L.] 0,5%, J. [L.] 19%, F. [L.] 19%, P. [L.] 11,5%, F. [P.] 0,5%, H. [P.] 25%, G. [P.] 19,5% en P.J. [B.] 5%. Dit is vastgelegd in de statutenwijzingen van 5 november 2001.

Na een eerder besluit de verzekeringsplicht van de aandeelhouders betreffende van 12 januari 1987 en een looncontrole in 1996 heeft het Uwv in 2004 opnieuw een boekenonderzoek bij betrokkene uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat betrokkene vanaf 15 mei 2000 geen verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten meer heeft aangenomen voor F. [L.], J. [L.], H. [P.] en F. [P.] en vanaf 1 januari 2002 voor P. [L.], terwijl de overige aandeelhouders wel correct zijn aangemeld en afgerekend. Voorts is uit het onderzoek gebleken dat het bestuur van de vennootschap sedert 19 juli 2000 werd gevormd door F. [L.], J. [L.] en H. [P.]. Bij besluiten van 28 februari 2005 heeft het Uwv over de jaren 2000 tot en met 2003 correctienota’s aan betrokkene opgelegd en bij besluiten van 2 maart 2005 boetenota’s aan betrokkene opgelegd over voornoemde jaren. Bij besluit van 8 juli 2005 heeft het Uwv de door betrokkene gemaakte bezwaren gericht tegen de nota’s van 28 februari 2005 en 2 maart 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft met betrekking tot de vraag of de betrokken personen onder werkgeversgezag werkzaam zijn ten aanzien van de statutaire bestuurders overwogen dat zij geen doorslaggevende stem hebben in de algemene vergadering van aandeelhouders met betrekking tot hun ontslag, zodat in beginsel moet worden aangenomen dat zij werkzaam zijn in een gezagsrelatie tot de vennootschap. Het feit dat er sprake is van een familierelatie leidt volgens de rechtbank niet tot een situatie waarin sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van de betrokken bestuurders.

Ten aanzien van P. [L.] heeft de rechtbank overwogen dat niet weersproken is dat er sprake is van een gezagsverhouding, terwijl ten aanzien van F. [P.] onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij dermate zelfstandig functioneerde dat niet gezegd kan worden dat er sprake was van een gezagsverhouding. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de correctienota’s terecht opgelegd.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover dit betrekking heeft op de vaststelling van de boetenota’s. Naar het oordeel van de rechtbank is de onderbouwing, welke het Uwv heeft gegeven in het bestreden besluit, onvoldoende voor het aannemen van opzet en/of grove schuld en is de opgelegde boete niet evenredig met de ernst van de gedraging.

In hoger beroep hebben partijen, betrokkene ter zake van de correctienota’s en het Uwv ter zake van de boetenota’s, zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Betrokkene beroept zich daarbij op het vertrouwensbeginsel aangezien de situatie reeds tweemaal eerder beoordeeld en geaccepteerd was, terwijl voorts sprake was van een bijzondere situatie in die zin dat de twee families gezamenlijk besluiten nemen. Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat, zoals vastgelegd in de overeenkomst van maart 2005, P.J. [B.] als vriend van de familie [P.] altijd met die familie meestemt en dat alle aandeelhouders in de algemene vergadering van aandeelhouders, in geval van een ontslagprocedure ten aanzien van één van de aandeelhouders, altijd dusdanig hun stem uitbrengen waardoor er tussen beide families een 50%-50% verhouding zal blijven bestaan.

Het Uwv is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de boete niet evenredig is met de ernst van de gedraging. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit wel een overweging is gewijd aan de betekenis van het besluit van 12 januari 1987, waarin was aangegeven dat in geval van wijziging van de situatie betrokkene contact met het Uwv diende op te nemen. Nu betrokkene dat heeft nagelaten heeft zij bewust het risico aanvaard dat het Uwv een ander standpunt inzake de verzekeringsplicht zou kunnen innemen en naar aanleiding daarvan correcties aan betrokkene zou opleggen.

De Raad overweegt het volgende op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting waarbij hij opmerkt dat de situatie vanaf het moment van toetreding tot de vennootschap van P.J. [B.], 19 juli 2000 het uitgangspunt is en dat twee van de drie vereisten voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten de verplichting de arbeid persoonlijk te verrichten en de verplichting om loon te betalen, niet in geding zijn.

Ten aanzien van de voorwaarde voor het bestaan van een gezagsverhouding van de bestuurders van de vennootschap, F. [L.], J. [L.] en H. [P.], benadrukt de Raad dat, indien een directeur/aandeelhouder van een vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhouding met betrekking tot de aandelen, in de algemene aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende stem heeft op de benoeming, de schorsing en -in het bijzonder- het ontslag van directeuren, in beginsel moet worden aangenomen dat hij of zij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de vennootschap. Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een directeur/aandeelhouder die geen doorslaggevende stem heeft in de algemene vergadering van aandeelhouders, is de Raad te dezen van oordeel dat er onvoldoende materiële aanwijzingen bestaan om een zodanige uitzonderingssituatie aanwezig te achten. Evenmin sluit de wijze van samenwerking binnen de onderneming uit, de Raad doelt daarbij op de onderling afgesproken stemverhouding in de algemene vergadering van aandeelhouders, dat in een conflictsituatie waarin de onderscheidene belangen aanzienlijk minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken te zijn, de betrokken personen tegen hun wil ontslagen kunnen worden. Dat de familie [L.] gezamenlijk 50% van de aandelen in het bezit heeft behoeft gelet op het bepaalde in de statuten van de vennootschap en de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder aan de ondergeschiktheid van de aandeelhouders niet in de weg te staan.

Met betrekking tot de verzekeringsplicht van P. [L.] en F. [P.] is de Raad van oordeel dat zij onder gezag van de directie van betrokkene stonden, waarbij de Raad opmerkt dat ten aanzien van de werkzaamheden van P. [L.] zich ten opzichte van het verleden geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

Het namens betrokkene gedane beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt naar het oordeel van de Raad niet aangezien vanaf de intreding in de vennootschap van P.J. [B.] zich een relevante wijziging in de situatie heeft voorgedaan die voor betrokkene aanleiding had behoren te zijn zich, in het licht van het besluit van 12 januari 1987, wat daar overigens ook van zij, en de looncontrole in 1996, te beraden omtrent de ontstane situatie en zich bij twijfel te wenden tot het Uwv.

Het bovenstaande brengt naar het oordeel van de Raad tevens mee dat de boetenota’s in stand blijven.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hoger beroep van betrokkene niet kan slagen en dat het hoger beroep van het Uwv wel slaagt. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep gegrond is verklaard en ziet op de boetenota’s;

Verklaart het beroep in zoverre ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 september 2007.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.E. Lysen.

RB