Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2007
Datum publicatie
09-10-2007
Zaaknummer
06-6936 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUBO-uitkering en vervoersvoorziening. Geen sprake van invalidering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6936 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

06/6936 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 27 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening

16 november 2006, kenmerk JZ/A70/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2007 . Namens appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1934, heeft in december 2005 een aanvraag bij verweerster ingediend om als burgeroorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet of een periodieke uitkering en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op bij haar bestaande gezondheidsklachten, die zij toeschrijft aan haar ervaringen tijdens de Bersiap-periode in het voormalig Nederlands-Indië en met name haar internering in de kampen Bremi te Probolinggo en De Wijk te Malang.

1.2. Verweerster heeft de internering van appellante in genoemde kampen aannemelijk geacht. De aanvraag van appellante is echter afgewezen bij besluit van 21 april 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat ten aanzien van appellante niet wordt voldaan aan de volgens de Wet gestelde eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychische letsel ten gevolge van de ondervonden oorlogscalamiteit, leidend tot blijvende invaliditeit.

1.3. In bezwaar en beroep heeft appellante grieven aangevoerd tegen verweersters opvatting dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel. Met name zou onvoldoende rekening zijn gehouden met haar hoofdpijnklachten, haar slaapstoornis en hartritmestoornissen, welke naar haar mening voor een deel van psycho-somatische aard zijn.

1.4. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Het standpunt van verweerster dat alleen de psychische klachten van appellant in verband staan met het oorlogsgeweld en dat deze bij appellante niet leiden tot invalidering in de zin van de Wet, is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad.

2.2. De Raad acht het bestreden besluit op basis van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend aan de oorlog gerelateerd psychisch en/of lichamelijk letsel. Ten aanzien van de hoofdpijnklachten is bij het onderzoek door de geneeskundig adviseur G. Kho door appellante zelf naar voren gebracht dat deze zomaar ineens opkomen en niet stress gerelateerd zijn. De conclusie van deze arts dat niet aannemelijk is dat de hoofdpijnklachten een gevolg zijn van de oorlogservaringen van appellante, acht de Raad voldoende onderbouwd. De hartklachten zijn ongeveer in 2003 ontstaan en zijn blijkens de medische gegevens duidelijk somatisch bepaald. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor toepassing van de zogenoemde omgekeerde bewijslast uit artikel 2, eerste lid van de Wet, zoals van de zijde van appellante is bepleit.

2.3. De psychische klachten van appellante bestaan uit angst voor reizen met de trein en angst voor kleine ruimtes, vermijding van het zien van oorlogsbeelden en zeer kort-durende herinneringen naar aanleiding van triggers en zijn mild van aard. De Raad ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de uit deze klachten voortvloeiende beperkingen door de geneeskundig adviseurs zijn onderschat. De namens appellante in het geding gebrachte stukken met betrekking tot toekenning van huishoudelijke hulp op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling Indonesië kunnen evenmin tot een ander oordeel leiden, nu uit die stukken geen ander beeld naar voren komt en in die regeling bovendien wordt uitgegaan van andere criteria.

3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 september 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

25.09

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 27 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening

16 november 2006, kenmerk JZ/A70/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2007 . Namens appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1934, heeft in december 2005 een aanvraag bij verweerster ingediend om als burgeroorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet of een periodieke uitkering en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op bij haar bestaande gezondheidsklachten, die zij toeschrijft aan haar ervaringen tijdens de Bersiap-periode in het voormalig Nederlands-Indië en met name haar internering in de kampen Bremi te Probolinggo en De Wijk te Malang.

1.2. Verweerster heeft de internering van appellante in genoemde kampen aannemelijk geacht. De aanvraag van appellante is echter afgewezen bij besluit van 21 april 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat ten aanzien van appellante niet wordt voldaan aan de volgens de Wet gestelde eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychische letsel ten gevolge van de ondervonden oorlogscalamiteit, leidend tot blijvende invaliditeit.

1.3. In bezwaar en beroep heeft appellante grieven aangevoerd tegen verweersters opvatting dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel. Met name zou onvoldoende rekening zijn gehouden met haar hoofdpijnklachten, haar slaapstoornis en hartritmestoornissen, welke naar haar mening voor een deel van psycho-somatische aard zijn.

1.4. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Het standpunt van verweerster dat alleen de psychische klachten van appellant in verband staan met het oorlogsgeweld en dat deze bij appellante niet leiden tot invalidering in de zin van de Wet, is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad.

2.2. De Raad acht het bestreden besluit op basis van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend aan de oorlog gerelateerd psychisch en/of lichamelijk letsel. Ten aanzien van de hoofdpijnklachten is bij het onderzoek door de geneeskundig adviseur G. Kho door appellante zelf naar voren gebracht dat deze zomaar ineens opkomen en niet stress gerelateerd zijn. De conclusie van deze arts dat niet aannemelijk is dat de hoofdpijnklachten een gevolg zijn van de oorlogservaringen van appellante, acht de Raad voldoende onderbouwd. De hartklachten zijn ongeveer in 2003 ontstaan en zijn blijkens de medische gegevens duidelijk somatisch bepaald. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor toepassing van de zogenoemde omgekeerde bewijslast uit artikel 2, eerste lid van de Wet, zoals van de zijde van appellante is bepleit.

2.3. De psychische klachten van appellante bestaan uit angst voor reizen met de trein en angst voor kleine ruimtes, vermijding van het zien van oorlogsbeelden en zeer kort-durende herinneringen naar aanleiding van triggers en zijn mild van aard. De Raad ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de uit deze klachten voortvloeiende beperkingen door de geneeskundig adviseurs zijn onderschat. De namens appellante in het geding gebrachte stukken met betrekking tot toekenning van huishoudelijke hulp op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling Indonesië kunnen evenmin tot een ander oordeel leiden, nu uit die stukken geen ander beeld naar voren komt en in die regeling bovendien wordt uitgegaan van andere criteria.

3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 september 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J.P. Schieveen.