Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2007
Datum publicatie
09-10-2007
Zaaknummer
07-451 WUBO + 07-452 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergoeding huishoudelijke hulp stopgezet. Hulp verleend door inwonende dochter. Beleid. Deugdelijke motivering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/451 WUBO + 07/452 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellante] (hierna: appellante)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 27 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerster van

13 december 2006, kenmerk resp. BZ 7381-JZ/P/80/2006 en BZ 7382-JZ/P/80/2006 (hierna: bestreden besluiten), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2007. Voor appellante is daar verschenen mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. Tevens is ter zitting als, namens appellante meegebrachte, getuige gehoord [getuige], wonende te Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken is appellante bij besluit van 28 november 2003 erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Als zodanig is haar toen, onder meer, aanspraak verleend op vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp voor ten hoogste 4 uren per week.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerster na bezwaar gehandhaafd de verlaging per

1 maart 2006 van de betaling van de vergoeding voor huishoudelijke hulp van 4 uren naar 3 uren per week en de algehele stopzetting van de betaling per 1 september 2006. Daartoe is overwogen dat is gebleken dat de huishoudelijke hulp aan appellante wordt verleend door de bij haar inwonende dochter, en dat volgens het terzake gevoerde beleid hulp van de echtgenoot en inwonende gezinsleden niet voor vergoeding in aanmerking komt.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst is de Raad van oordeel dat geen sprake is van strijd met artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals van de zijde van appellante is betoogd. Verweerster heeft bij het nemen van de bestreden besluiten mogen afgaan op de door appellante zelf verstrekte gegevens. Ook de verklaring van de dochter van appellante met betrekking tot door haar verleende huishoudelijke hulp is als zodanig aan appellante toe te rekenen. Deze grief treft dus geen doel.

In bezwaar en beroep is namens appellante verder aangevoerd dat de dochter van appellante die de huishoudelijke hulp verleende, niet als gezinslid van appellante is aan te merken nu zij met man en kind een eigen gezin vormt en met dit gezin een eigen gedeelte van de woning van appellante bewoont.

Verweerster acht doorslaggevend dat men een bovenwoning op hetzelfde adres bewoont en dat voorzieningen als sanitair en keuken gezamenlijk worden gebruikt, terwijl er ook een gemeenschappelijke voordeur is. Naar het oordeel van verweerster is aldus sprake van één huishouding, hetgeen meebrengt dat de dochter als een inwonend gezinslid van appellante is aan te merken.

De Raad volgt verweerster in deze uitleg niet. De omstandigheid dat de dochter van appellante een eigen gezin heeft dat een eigen gedeelte van de onderhavige woning bewoont staat ook naar het oordeel van de Raad eraan in de weg om de dochter voor de toepassing van de onderhavige beleidsregel als gezinslid van appellante te beschouwen. Dat men één voordeur deelt en van enkele voorzieningen in huis gezamenlijk gebruik maakt acht de Raad op zich daartoe niet voldoende.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de bestreden besluiten berusten op een ondeugdelijke motivering en daarom, als genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb, niet in stand kunnen blijven.

De Raad ziet aanleiding verweerster te veroordelen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 644,- aan kosten van juridische bijstand in beroep. De Raad acht hierbij van toepassing het bepaalde in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht over samenhangende zaken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt de bestreden besluiten;

Bepaalt dat verweerster nieuwe besluiten neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 70,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en

C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 september 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J.P. Schieveen.