Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
08-10-2007
Zaaknummer
06-6012 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsplicht standbouwers, gezagsverhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6012 CSV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2006, 04/4029 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 september 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.A. Zeilstra, bedrijfsjuridisch adviseur te Vinkeveen, hoger beroep ingesteld, nader aangevuld bij schrijven van 16 mei 2007 met bijlage.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 14 augustus 2007, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Zeilstra, voornoemd, terwijl het Uwv met voorafgaand schriftelijk bericht niet is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving zoals die luidde ten tijde als hier van belang.

Appellante houdt zich voornamelijk bezig met werkzaamheden die bestaan uit het verrichten van reparaties en onderhoud in brede zin op en rond de luchthaven Schiphol. Uit een bij appellante op 21 mei 2003 gehouden looncontrole is gebleken dat appellante betalingen heeft verricht aan [betrokkene], handelend onder de naam [betrokkene] montage en aan [betrokkene 2] handelend onder de naam [naam bedrijf], die niet in de loonadministratie zijn verantwoord. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv bij besluiten van 15 en 21 januari 2004 over de jaren 2000 en 2001 correctienota’s en boetenota’s opgelegd. Aan die besluiten ligt ten grondslag dat [betrokkene] en [betrokkene 2] (hierna: betrokkenen) in de jaren 2000 en 2001 voor appellante werkzaamheden hebben verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Bij besluit van 21 juli 2004 heeft het Uwv deze besluiten na bezwaar gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank op grond van het geheel van feiten en omstandigheden geoordeeld dat gezien de ter zake geldende criteria van het bestaan van een gezagsrelatie, van een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en van een verplichting tot loonbetaling, betrokkenen geacht kunnen worden werkzaam te zijn geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking zodat appellante terecht premieplichtig is geacht.

Appellante heeft in hoger beroep, onder handhaving van hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, de juistheid van de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden en daarbij benadrukt dat de werkzaamheden juridisch vorm worden gegeven door de in de bouwbranche gebruikelijke rechtsvorm van onderaanneming van werk.

De Raad overweegt het volgende.

Naar het oordeel van de Raad dient op grond van de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval te worden geconcludeerd dat de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten een gezagsverhouding, de verplichting tot persoonlijke dienstbetrekking en de verplichting tot loonbetaling aanwezig zijn. Derhalve heeft het Uwv terecht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringen verzekeringsplicht ten aanzien van de door betrokkene verrichte werkzaamheden aangenomen.

Met betrekking tot de gezagsverhouding overweegt de Raad dat hiervan blijkens zijn jurisprudentie sprake is indien door de vermeende werkgever aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven. In een situatie als de onderhavige waarin de werkzaamheden zijn ingebed in de bedrijfsvoering van appellante, is de Raad van oordeel dat het ontbreken van werkgeversgezag ten aanzien van degene die deze werkzaamheden uitvoert niet aannemelijk is. Daarbij speelt naar het oordeel van de Raad een rol dat onder verantwoordelijkheid van appellante en binnen een door haar geschapen organisatorisch kader de werkzaamheden worden verricht. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellante werkgeversgezag over betrokkenen kon uitoefenen al heeft zich dat wellicht in de praktijk niet of nauwelijks voorgedaan en hebben appellante en betrokkenen dat niet zo ervaren. Dat met name [betrokkene] zijn werkzaamheden met een grote mate van zelfstandigheid verrichtte, past bij de aard van zijn functie als dakdekker en doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van appellante om hem opdrachten en aanwijzingen te geven als dat nodig was.

Ter zitting van de Raad is van de zijde van appellante een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van 11 januari 2007, LJN: AZ7199, waarin de Raad naar de mening van appellante heeft uitgesproken dat de enkele constatering dat aanwijzingen gegeven kunnen worden niet impliceert dat automatisch sprake is van een arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van de Raad geeft appellante daarmee een te beperkte uitleg aan die uitspraak aangezien in dat geval op basis van de beschikbare gegevens niet in voldoende mate vastgesteld kon worden of alle 19 freelance standbouwers, ten aanzien van wie verzekeringsplicht was aangenomen, in een gezagsverhouding werkzaam zijn geweest.

In dat geding heeft de Raad de enkele constatering door het Uwv dat aanwijzingen gegeven kunnen worden, onvoldoende geacht om in alle gevallen een gezagsverhouding aanwezig te achten.

Met betrekking tot de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting overweegt de Raad dat betrokkenen de werkzaamheden steeds persoonlijk hebben verricht en dat niet is gebleken dat zij zich hebben laten vervangen. De Raad tekent daarbij aan dat [betrokkene] was aangezocht in verband met zijn specialistische kennis op het gebied van dakbedekking en dat Bido was aangezocht vanwege zijn lichamelijke bouw, die hem in staat stelde zich te begeven in kleine en moeilijk te bereiken ruimtes.

Voorts kan de Raad het door betrokkenen gedeclareerde uurtarief niet anders beschouwen dan als contraprestatie voor het verrichten van arbeid. Dat voor het werk een prijs in geld zou zijn overeengekomen blijkt niet uit de gedingstukken, terwijl appellante het betalingsrisico loopt aangezien er geen zogenoemde back to back bepaling is overeengekomen tussen haar en betrokkenen.

Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat telkens wanneer betrokkenen voor appellante werkzaamheden verrichten er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Eventuele zelfstandigheid van betrokkenen staat hieraan niet in de weg. Het hoger beroep van appellante kan derhalve niet slagen zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 september 2007.