Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
06-3879 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3879 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: werknemer),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juni 2006, 05/6171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

werknemer

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 september 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens werknemer heeft mr. J.A.H.L. Liégeois, werkzaam bij De Unie, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2007. Werknemer is verschenen, bijgestaan door mr. Liégeois, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1.0. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Werknemer heeft bij het Uwv een aanvraag ingediend om zekere betalingsverplichtingen van zijn werkgever op grond van hoofdstuk IV van de WW over te nemen. Het Uwv heeft daarop bij besluit van 21 april 2004 beslist en daarbij de opzegtermijn als bedoeld in artikel 64, aanhef en onder b, van de WW op zes weken gesteld. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt. Werknemer stelt dat uit de uitspraak van de Raad van 27 april 2005, LJN AT4656, RSV 2005/215 en USZ 2005/267, voortvloeit dat voor hem een langere opzegtermijn geldt en heeft het Uwv bij brief van

13 september 2005 verzocht opnieuw de opzegtermijn vast te stellen. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 25 november 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv werknemer, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te kennen gegeven dat zijn verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit niet in behandeling wordt genomen. Volgens het Uwv kan voormelde uitspraak van de Raad niet als nieuw feit of nieuwe omstandigheid worden aangemerkt als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv gevolgd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

3. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel met betrekking tot het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Hij heeft daartoe het volgende overwogen.

3.1.1. Ter zitting van de Raad is namens werknemer betoogd dat het verzoek om terug te komen van het besluit d.d. 21 april 2004 door het Uwv had moeten worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen dat besluit en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Werknemer stelt te zijn uitgegaan van de juistheid van dat besluit en dat de opzegtermijn van zes weken ook werd vermeld in de door het Uwv uitgereikte folder. Hij had niet eerder reden om bezwaar te maken dan na de uitspraak van de Raad van 27 april 2005.

3.1.2. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van bezwaar zes weken. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van die termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.1.3. Naar het oordeel van de Raad kan verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding niet worden aangenomen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat onder het besluit een bezwaarclausule is vermeld waaruit werknemer had moeten afleiden dat hij dat besluit binnen zes weken kon aanvechten. Voorts bevat de folder slechts algemene informatie die werknemer er niet van had hoeven te weerhouden bezwaar aan te tekenen. De Raad kan er tot slot niet aan voorbij gaan dat werknemer zich tot zijn vakorganisatie had kunnen wenden teneinde zich omtrent zijn rechtspositie te laten informeren, terwijl die vakorganisatie - naar de Raad bekend is uit aan hem voorgelegde zaken - al vóór het nemen van het besluit van 21 april 2004 het standpunt heeft verdedigd dat bij de opzegtermijn het overgangsrecht diende te worden betrokken.

3.2.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

3.2.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat werknemer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. De uitspraak van de Raad van

27 april 2005 kan op zichzelf niet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daarbij moet het immers gaan om feiten en omstandigheden die betrekking hebben op het oorspronkelijke besluit en daarvan is hier geen sprake.

3.2.3. Werknemer voert tal van redenen aan waarom hij destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de opzegtermijn op zes weken. Dienaangaande overweegt de Raad dat volgens zijn vaste rechtspraak (zie onder meer zijn uitspraak van 21 maart 2001, LJN AB1691, RSV 2001/151) als uitgangspunt dient dat het enkele feit dat uit een later gedane rechterlijke uitspraak blijkt dat een besluit berust op een onjuiste uitleg of verkeerde toepassing van een wettelijk voorschrift, voor risico blijft van de betrokkene die in dat besluit heeft berust.

3.3. Op grond van het vorenstaande was het Uwv op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb bevoegd het verzoek van werknemer af te wijzen, waarbij de Raad nog opmerkt dat de hier aan de orde zijnde aanspraak van werknemer geen duuraanspraak betreft. In hetgeen door werknemer is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.1. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get). P. Boer.

BvW

69