Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4828

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
04-10-2007
Zaaknummer
06-3443 WWB + 07-1152 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstandsuitkering buiten behandeling wegens niet verstrekken gevraagde gegevens. Weigering bijstandsuitkering ivm niet meewerken aan huisbezoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 358

Uitspraak

06/3443 WWB

07/1152 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant],

tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 23 mei 2006, 06/3947, en van de rechtbank Haarlem van 13 februari 2007, 06/3944 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, de hoger beroepen ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

In beide zaken heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 7 augustus 2007. Voor appellant is mr. Klaas verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende nog van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft tot 1 mei 2005 als zelfstandige een groothandel in Koi vissen en aanverwante producten en artikelen geëxploiteerd.

Op 5 oktober 2005 heeft hij zich gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) voor een aanvraag om algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij heeft hij als officieel woonadres [adres 1] opgegeven. Op het formulier ‘Aanvraag en inlichtingen WWB’ heeft hij vermeld dat hij kostganger is, dat hij een zelfstandige slaapruimte heeft maar geen zelfstandige was- en kookgelegenheid of toilet en dat hij ongeveer € 150,-- per maand als kostgeld betaalt.

Op het document waarbij de aanvraag van appellant aan het College is overgedragen, heeft een medewerkster van het CWI omtrent de woon- en leefsituatie van appellant het volgende vermeld:

“Betrokkene staat als enige ingeschreven op het adres [adres 1]. Hij zegt echter dit adres min of meer als postadres te gebruiken. Hij geeft verder aan wel een huurcontract te hebben. De eigenaresse van de woning zou hier ook verblijven maar staat niet ingeschreven (?). Client geeft aan dat hij wisselend bij zijn moeder verblijft, bij vrienden en soms op bovengenoemd adres. Onduidelijke situatie wat mij betreft. Gedurende het hebben van zijn eigen bedrijf was hij woonachtig in Brabant, waar ook het bedrijf was. Ook toen gebruikte betrokkene het adres van Hoofddorp als woonadres.

Er moet per maand 750 euro aan huur worden betaald voor de woning.”

Na in een brief van 28 oktober 2005 (met bijlagen) desgevraagd enige inlichtingen omtrent onder andere zijn woonsituatie te hebben ontvangen, heeft het College appellant bij brief van 30 november 2005 verzocht vóór 10 december 2005 onder andere een schriftelijke opgave te verstrekken van het aantal keren dat hij per week op het door hem opgegeven adres verblijft. Daaraan is toegevoegd dat de aanvraag buiten behandeling zal worden gelaten indien de ontbrekende informatie op genoemde datum niet is overgelegd.

Bij besluit van 14 december 2005 heeft het College besloten de aanvraag van appellant niet verder te behandelen.

Bij besluit van 31 maart 2006, kenmerk CS/40083, is het tegen het besluit van 14 december 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak van 23 mei 2006, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen voormeld besluit van 31 maart 2006 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betroffen de gegevens die het College heeft opgevraagd, gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Omdat appellant in elk geval de verklaring omtrent zijn verblijf op de [adres 1] niet tijdig heeft overgelegd dan wel niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij die tijdig heeft overgelegd, was het College bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen.

Op 21 december 2005 heeft appellant andermaal een aanvraag om algemene bijstand ingevolge de WWB ingediend. Daarbij heeft hij weer als woonadres [adres 1] opgegeven.

Appellant is uitgenodigd voor een gesprek op 14 februari 2006 bij de Dienst Welzijn, Onderwijs en Cultuur, Sector Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Tijdens dat gesprek is appellant meegedeeld dat er twijfels bestaan omtrent zijn woonsituatie en is hem verzocht om aansluitend aan het gesprek mee te werken aan een huisbezoek. Appellant heeft die medewerking geweigerd, aangevend dat de woning waarin hij woont niet van hem is en hij niet zomaar vreemden kan meenemen. De hoofdbewoonster is, aldus appellant, op haar werk. Appellant heeft in zijn weigering volhard, ook nadat hem was meegedeeld dat door de onduidelijkheid omtrent zijn woonsituatie zijn recht op uitkering niet is vast te stellen, zodat zijn aanvraag om algemene bijstand zal worden afgewezen.

Bij besluit van 14 februari 2006 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat door de weigering om een huisbezoek te laten plaatsvinden de woonsituatie niet kan worden vastgesteld en derhalve evenmin het recht op bijstand.

Het tegen het besluit van 14 februari 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 31 maart 2006, kenmerk CS/6115, ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak van 13 februari 2007 is ook het beroep tegen dit besluit van 31 maart 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraken van 23 mei 2006 en van 13 februari 2007 gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het besluit om de aanvraag van 5 oktober 2005 niet te behandelen.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Met de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door het College gevraagde informatie omtrent de woonsituatie van appellant van belang was om te bepalen of hij voor de gevraagde bijstand in aanmerking kon komen. De woonsituatie is immers van essentieel belang voor (de omvang van) het recht op bijstand. Gezien de door het CWI verstrekte informatie omtrent de woon- en leefsituatie van appellant, de stelling dat appellant geen huur behoefde te betalen voor het medebewonen van de woning [adres 1] hoewel de huurprijs van de woning € 750,-- per maand bedroeg en het gegeven dat in elk geval de afschriften van de girorekening van appellant niet naar het door hem opgegeven woonadres werden gestuurd, was het gerechtvaardigd dat het College appellant om nadere schriftelijke informatie vroeg omtrent de mate waarin hij op het opgegeven adres verbleef. Daaraan doet niet af dat appellant eerder aangaande zijn verblijf op het opgegeven adres mondeling informatie had verstrekt.

De Raad is voorts van oordeel dat het op de weg van appellant ligt om aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij de gevraagde gegevens en bescheiden vóór 10 december 2005 heeft ingeleverd. Op grond van de beschikbare gegevens kan niet als vaststaand worden aangenomen dat appellant zich binnen de gestelde termijn aan de balie van het bezoekadres van de Sector Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft vervoegd en aldaar de gevraagde stukken heeft ingeleverd.

Het College was gezien het vorenvermelde bevoegd om toepassing te geven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Niet kan worden gezegd dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het hoger beroep tegen de uitspraak van 23 mei 2006 faalt derhalve en die uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

Het besluit om de aanvraag van 21 december 2005 af te wijzen.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de WWB is de belanghebbende verplicht aan het College desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 53a, tweede lid, eerste volzin, van de WWB bepaalt dat het college bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

Indien de belanghebbende de inlichtingen-/medewerkingsplicht niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval zodanige grond aanwezig was.

Het College heeft op grond van objectieve bevindingen die zijn weergegeven in het rapport van 14 februari 2006, redelijkerwijs kunnen twijfelen aan de juistheid van het door appellant opgegeven woonadres [adres 1]. Bij het CWI zou appellant hebben verklaard het adres [adres 1] min of meer als postadres te gebruiken en wisselend bij zijn moeder, vrienden en soms op [adres 1] te verblijven. Niettemin zou volgens het rapport de post voor appellant grotendeels, met uitzondering van bij voorbeeld post van Sociale Zaken, naar een adres in Haarlem worden gestuurd, dit terwijl appellant al sedert 20 juni 2005 in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op het adres [adres 1]. Ook zou appellant voor het medebewonen van de woning aan de [adres 1] geen huur of kostgeld hoeven te betalen, terwijl de huur van de woning € 750,-- per maand bedroeg.

Het College heeft onder de gegeven omstandigheden van appellant kunnen verlangen dat hij medewerking zou verlenen aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek.

De stelling van appellant dat hij eerst aan een huisbezoek kon meewerken nadat hij daartoe de toestemming van de hoofdbewoonster had gekregen en de hoofdbewoonster niet thuis maar op haar werk was dan wel thuis haar verjaardag aan het vieren was, maakt dit niet anders. De gestelde redenen acht de Raad niet van zodanig gewicht dat daarvoor het belang van het College om onmiddellijk de door appellant opgegeven woonsituatie te verifiëren, gelet op de mogelijkheden om daarin wijzigingen aan te brengen, zou moeten wijken. Daarbij ligt het in de risicosfeer van appellant indien een noodzakelijk huisbezoek op het door hem opgegeven woonadres niet mogelijk is.

Dit betekent dat ook het hoger beroep tegen de uitspraak van 13 februari 2007 niet slaagt en dat ook die uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak van 23 mei 2006 voor zover aangevochten;

Bevestigt de aangevallen uitspraak van 13 februari 2007.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) S. van Ommen.

RB