Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4795

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
05-1958 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1958 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 februari 2005, 03/352 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Kraag, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, kantoor Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellante was sedert 31 augustus 1997 werkzaam als zorgassistente gedurende 32 uur per week. Nadat appellante door ziekte voor die werkzaamheden was uitgevallen, heeft het Uwv bij besluiten van 22 juli 1999 geweigerd appellante per 8 april 1999 in aanmerking te brengen voor een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) onder de overweging dat de beperkingen die appellante ondervond reeds bestonden bij de aanvang van de verzekering dan wel binnen een half jaar na die aanvang arbeidsongeschiktheid kennelijk moest doen verwachten. Het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 27 juni 2000 ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld, welk beroep bij uitspraak van de rechtbank van 24 juli 2001 gegrond is verklaard en waarbij het besluit van 27 juni 2000 is vernietigd. Kort gesteld was de rechtbank van oordeel dat het Uwv onvoldoende ondubbelzinnige indicaties had aangegeven voor het bestaan van een reële arbeidsongeschiktheid bij de aanvang van de verzekering.

Naar aanleiding van die uitspraak heeft een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts de medische situatie van appellante opnieuw onderzocht. Dit leidde tot het thans bestreden besluit van 30 januari 2003 waarbij appellante wederom per 8 april 1999 niet in aanmerking werd gebracht voor een WAO-uitkering. In het besluit van 30 januari 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat er per die datum geen beperkte belastbaarheid uit hoofde van ziekte of gebrek bestond, en het bezwaar tegen de besluiten van 22 juli 1999 andermaal ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij voorts, onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de primaire besluiten van 22 juli 1999 herroepen en bepaald dat appellante over de periode van 8 april 1999 tot 12 mei 2000 recht heeft op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In haar uitspraak heeft de rechtbank ook nog als haar oordeel gegeven dat die WAO-uitkering met ingang van 12 mei 2000 wordt beëindigd. De rechtbank heeft ten slotte beslissingen gegeven over vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten.

Appellante heeft in haar hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak geen stellingen betrokken tegen de toekenning van de WAO-uitkering per 8 april 1999. Appellante heeft zich wel gericht tegen de intrekking van de uitkering per 12 mei 2000 en heeft aangevoerd dat de intrekking van de WAO-uitkering moet zijn gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek. Aangezien dat onderzoek niet heeft plaatsgevonden, kon de rechtbank naar de mening van appellante haar uitkering niet per die datum beëindigen.

Het Uwv heeft in het verweerschrift aangegeven zich te kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank. Het Uwv heeft daarbij tevens aangegeven dat de gemachtigde van appellante bij brief van 1 april 2005 is meegedeeld dat uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en dat aan appellante over de periode van 8 april 1999 tot

12 mei 2000 een WAO-uitkering is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft voorts gesteld dat appellante geen medische argumenten heeft ingebracht waarom haar uitkering na 12 mei 2000 zou moeten voortduren.

De Raad oordeelt als volgt.

Het bestreden besluit had slechts betrekking op de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 april 1999. De rechtbank is met haar oordeel over de mate van arbeidsongeschiktheid op 12 mei 2000 en de beëindiging van de WAO-uitkering per die datum derhalve buiten de omvang van het aan haar voorgelegde geschil getreden. De aangevallen uitspraak komt derhalve in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Aangezien partijen zich hebben kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank over de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 april 1999 en hetgeen de rechtbank overigens heeft overwogen, kan de uitspraak voor het overige in stand blijven.

Blijkens het verweerschrift heeft het Uwv op 1 april 2005 overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank, appellante meegedeeld dat over de periode van 8 april 1999 tot 12 mei 2000 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is toegekend. Aangezien in die brief door het Uwv voor de eerste maal een standpunt is betrokken zowel ten aanzien van de intrekking van de uitkering als ten aanzien van een datum die niet eerder in geding is geweest, moet die brief van 1 april 2005 worden aangemerkt als een primair besluit waartegen appellante bezwaar kon maken. Zoals bleek uit de hiervoor weergegeven stellingen van appellante in hoger beroep, kan zij zich niet verenigen met de intrekking van de uitkering per 12 mei 2000. Op 3 mei 2005 heeft appellante bij schrijven aan de Raad een voorbehoud gemaakt ten aanzien van haar gronden, waarna zij deze gronden bij schrijven van 25 juli 2007 heeft aangevuld. Gelet op het voorgaande is de Raad dan ook van oordeel dat deze stukken moeten worden beschouwd als een tijdig bezwaar gericht tegen het besluit van 1 april 2005. De Raad zal deze stukken dan ook, gelet op artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Awb, ter behandeling als bezwaar doorgeleiden naar het Uwv. De Raad merkt daarbij ten aanzien van de datum van 12 mei 2000 nog op dat er geen volledig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat er, mede gelet op de rapportage van orthopedisch chirurg dr. Ph. J. Edixhoven in ieder geval voldoende aanleiding was om ook de psychische belastbaarheid van appellante – die tot op dat moment niet is bezien – mede in de beoordeling van appellantes beperkingen te betrekken. De Raad merkt ten slotte, met appellante, op dat een op de datum van 12 mei 2000 gericht arbeidskundig onderzoek niet heeft plaatsgevonden.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, welke kosten worden begroot op de kosten van rechtsbijstand van € 322,- voor het indienen van het hoger beroepschrift.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is geoordeeld dat de WAO-uitkering per 12 mei 2000 moet worden ingetrokken;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) I.R.A. van Raaij.

MK