Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4734

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
07-5219 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het College te bevelen om verzoekster bijstand bij wijze van voorschot te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 370
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5219 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoekster],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2007, 07/2418 en 07/2419 (hierna: aangevallen uitspraak),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College),

Datum uitspraak: 2 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. R.P. Kuijper, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoekster heeft mr. Kuijper tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten.

Verzoekster ontving sedert 30 juli 1986 algemene bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Op grond van de bevindingen van een op 1 september 2005 afgelegd huisbezoek heeft het College bij besluit van 8 september 2005 de bijstand van verzoekster ingetrokken met ingang van 1 september 2005 op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met P. de Bruin.

Bij besluit van 23 februari 2006 is het tegen het intrekkingsbesluit van 8 september 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voerde en dat haar vermogen de voor haar geldende vermogensgrens overschreed.

Bij uitspraak van 17 april 2007, 05/5918, heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2005 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 23 februari 2006 gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op dat bezwaar te nemen. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

Bij brief van 4 juni 2007 heeft de gemachtigde van verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar overeenkomstig de uitspraak van 17 april 2007 en de rechtbank verzocht om het College tot schadevergoeding te veroordelen. Bij brief van 12 juni 2007 is tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit van 8 september 2005 opnieuw ongegrond verklaard. Aan deze ongegrondverklaring ligt niet meer ten grondslag dat verzoekster een gezamenlijke huishouding zou voeren, maar wel dat het recht op bijstand per 1 september 2005 niet kan worden vastgesteld als gevolg van schending van haar inlichtingenverplichting omtrent haar vermogen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank

- het beroep tegen het gestelde niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard;

- het beroep tegen het besluit van 12 juni 2007 ongegrond verklaard;

- het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen;

- het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij beroepschrift van 31 augustus 2007 heeft de gemachtigde van verzoekster hoger beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 12 juni 2007 en tegen de afwijzing van het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding.

Bij verzoekschrift van 31 augustus 2007 heeft deze gemachtigde tevens verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening

- het College te bevelen bij wijze van voorschot een bedrag aan verzoekster te voldoen gelijk aan de toepasselijke maandelijkse bijstandsuitkering;

- de in beroep gevorderde schadevergoeding toe te wijzen.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat in het beroepschrift van 31 augustus 2007 geen hoger beroep is ingesteld tegen de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het gestelde niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar. De bodemprocedure in hoger beroep ziet op de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 12 juni 2007. Tegen deze ongegrondverklaring is aangevoerd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de door verzoekster gestelde onrechtmatigheid van het huisbezoek van 1 september 2005 en het in het kader van het huisbezoek vergaarde bewijs. Deze grief treft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen doel.

De voorzieningenrechter herinnert er aan dat artikel 7:11 van de Awb niet in de weg staat aan handhaving in bezwaar van een besluit op een andere grond dan die waarop het primaire besluit steunt. Indien dit gebeurt na vernietiging van een besluit op bezwaar en ter uitvoering van de uitspraak op een andere grond andermaal afwijzend op het bezwaar is beslist, zal de bestuursrechter die nieuwe grond en daartegen gerichte grieven als uitgangspunt moeten nemen voor zijn beoordeling van de rechtmatigheid van dat nieuwe besluit op bezwaar.

Voor de beoordeling van de thans door het College gestelde schending van de inlichtingenverplichting wegens verzwegen vermogen is de gestelde onrechtmatigheid van het huisbezoek van 1 september 2005 terecht onbesproken gelaten. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat niet slechts op grond van tijdens het huisbezoek verkregen bewijs maar ook uit dossieronderzoek en gegevensuitwisseling met de belastingdienst reeds aan het licht was gekomen dat verzoekster vermogen verzwegen had.

De voorzieningenrechter kan, gelet op de gedingstukken, de gemachtigde van verzoekster evenmin volgen in diens stelling dat het besluit van 12 juni 2007 onzorgvuldig is voorbereid. Daaruit blijkt niet dat alle voor de vaststelling van het vermogen relevante gegevens reeds aan het College bekend waren. Op grond van het bepaalde in de artikelen 17, eerste en tweede lid, en 53a, tweede lid, van de WWB was het College bevoegd van verzoekster nadere inlichtingen omtrent haar vermogenspositie te verlangen in het kader van de voorbereiding van het nieuwe besluit op bezwaar. Aangezien verzoekster tot nu toe geweigerd heeft om de bij brief van 10 mei 2007 gevraagde nadere verklaringen en bewijsstukken met betrekking tot haar vermogen te verstrekken, is thans niet met voldoende zekerheid vast te stellen of verzoekster ten tijde hier van belang nog recht had op bijstand.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de voorzieningenrechter tot het oordeel gekomen dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat in het bodemgeschil de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 23 februari 2006 in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het College te bevelen om verzoekster bijstand bij wijze van voorschot te verlenen.Voor de gevraagde veroordeling tot schadevergoeding ziet de voorzieningenrechter geen ruimte.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

GG