Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4731

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
04-10-2007
Zaaknummer
05-6382 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Medisch en arbeidskundig onderzoek voldoende adequaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6382 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 september 2005, 04/1594 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 oktober 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, hoger beroep ingesteld en ter motivering hiervan informatie van de huisarts van appellante van 8 november 2005 ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een reactie op het hoger beroep van de bezwaarverzekeringsarts M. Hagedoorn van 6 december 2005.

De gemachtigde van appellante heeft op 20 maart 2006 nadere medische informatie overgelegd, waarop het Uwv heeft gereageerd door inzending van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts A. Hoogendoorn van 8 mei 2006.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2007.

Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als productiemedewerkster via een uitzendbureau toen zij zich op 30 december 2002 ziek meldde met schouderklachten en griep. Vanaf januari 2003 waren er tevens rugklachten. De verzekeringsarts M. Opheij heeft appellante in het kader van haar aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) op 4 november 2003 onderzocht. In het rapport van dezelfde datum heeft Opheij aangegeven dat bij het lichamelijk onderzoek geringe beperkingen aan de rug werden gevonden en dat in verband met de rugaandoening van appellante langdurige statische belasting van de rug en zwaar rugbelastende werkzaamheden vermeden dienden te worden. Opheij legde haar bevindingen vast in de zogenoemde (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst ((K)FML) van 18 november 2003. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 1 december 2003 berekende de arbeidsdeskundige P. Baaijens in een rapport van eveneens 1 december 2003 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen op 19,6%. Hierna kende het Uwv bij besluit van 4 december 2003 aan appellante met ingang van 18 december 2003 een WAO-uitkering toe, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

In de bezwaarprocedure vermeldde de in rubriek I van deze uitspraak genoemde bezwaarverzekeringsarts Hagedoorn in haar rapport van 11 maart 2004 dat Opheij naar aanleiding van verkregen informatie van de huisarts van 21 november 2003, waarin deze aangaf appellante te kennen met een groot scala aan klachten van de flank en het bewegingsapparaat en een probleemlijst opnam, op 8 december 2003 aanvullend rapporteerde dat deze informatie geen wijziging bracht in haar eerdere conclusies. Voorts stelde Hagedoorn vast dat in het bezwaarschrift en ter hoorzitting geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gebracht en concludeerde zij dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld, passend bij de onderzoeksgegevens. De bezwaararbeidsdeskundige W.A.M.H. Heijmans heeft vervolgens in een rapport van 21 april 2004 de medische passendheid van de geduide functies uitvoerig onderbouwd. Hij concludeerde voorts dat één functie met vier arbeidsplaatsen, behorend tot de SBC-code 272043, vanwege het ontbreken van ervaring diende te vervallen, dat in deze SBC-code voldoende functies resteerden en dat het verlies aan verdienvermogen afgerond 20% bedroeg. Hierna verklaarde het Uwv het tegen het besluit van 4 december 2003 gemaakte bezwaar bij besluit van 28 april 2004 ongegrond.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de medische en - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 november 2004 (USZ 2004,353) - arbeidskundige grondslag van het besluit van 28 april 2004 (hierna: het bestreden besluit) onderschreven en heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat de medische beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld en dat daarom ten onrechte geen volledige arbeidsongeschiktheid is aangenomen. Ter onderbouwing zijn bij het hoger beroepschrift nadere medische stukken overgelegd.

De Raad heeft in dit hoger beroep geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit te komen dan de rechtbank heeft gegeven. De Raad wijst in de eerste plaats op de reactie van Hagedoorn op de bij het hoger beroepschrift gevoegde medische stukken en op de door de gemachtigde op 19 november 2005 ingezonden informatie van de huisarts van 8 november 2005. Volgens Hagedoorn bevatten deze medische stukken geen nieuwe medische gezichtspunten. Zij merkte op dat behandeling door het pijnteam louter symptomatisch is en niet tot nieuwe gezichtspunten leidt met betrekking tot de op de datum in geding aan te nemen beperkingen en dat raadpleging van de huisarts voor longklachten bijna 2 jaar na de datum in geding plaatsvond en derhalve niet relevant is in dit geding. Van de zijde van appellante zijn geen nadere gegevens van medische aard overgelegd of is geen nadere argumentatie gegeven op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de conclusie van Hagedoorn ten aanzien van evenbedoelde in hoger beroep overgelegde medische informatie onjuist is. De Raad overweegt voorts dat de gemachtigde van appellante ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat het ongedateerde briefje van de huisarts, waarop alleen is aangetekend “Syndroom van Menière”, dateert van ongeveer 20 maart 2006, de datum van inzending van dat briefje. Mede gelet op het feit dat Hoogendoorn in haar rapport van 8 mei 2006 heeft opgemerkt dat uit het dossier, waaronder de informatie van de huisarts, geen enkel feit blijkt in verband met evengenoemd syndroom en dat voor het stellen van een dergelijke diagnose eerst uitgebreid onderzoek door een KNO-arts noodzakelijk is, kan de Raad aan deze enkele vermelding van dit syndroom niet die betekenis toekennen die de gemachtigde van appellante daaraan toegekend wenst te zien. Ten slotte is de Raad uit het onderzoek van Opheij niet gebleken dat de door de huisarts in bij onderzoek in januari 2006 vermelde knieklachten, waarvoor in maart 2006 kennelijk aanvullend onderzoek is gedaan, voorzover deze klachten al eerder bestonden, op de datum in geding al tot beperkingen aanleiding hadden moeten geven. Bij haar onderzoek aan de knieën meldde Opheij immers geen bijzonderheden.

Al het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(gt.) I.R.A. van Raaij.

MH