Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4602

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
05-6799 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2005:AU4240, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6799 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 oktober 2005, 04/1322 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij de Hout- en Bouwbond CNV, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 3 augustus 2007. Namens appellant is verschenen mr. Koekkoek voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende als vaststaande aangenomen feiten en omstandigheden.

Appellant was laatstelijk werkzaam als hoofduitvoerder bij een bouwbedrijf; hij werkte acht uur per dag en vijf dagen per week. Op 14 juli 2002 heeft hij zich voor die werkzaamheden ziek gemeld wegens rugklachten. Na eerst op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden te hebben verricht, heeft appellant in november 2002 zijn eigen werkzaamheden hervat in aangepaste vorm, dat wil zeggen: gedurende zes uur per dag.

Op 22 mei 2003 heeft een in dienst van het Uwv werkzame verzekeringsarts appellant onderzocht en geoordeeld dat hij is aangewezen op rugsparend werk waarbij niet langdurig achtereen behoeft te worden gezeten en het zitten regelmatig kan worden afgewisseld met staan en lopen. De verzekeringsarts heeft, gezien de aard van de klachten en het dagpatroon van appellant, geen medische reden gezien voor het stellen van een urenbeperking. Op basis van deze bevindingen heeft de verzekeringsarts op 22 mei 2003 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Een in dienst van het Uwv werkzame arbeidsdeskundige heeft op basis van die FML, gelet op de belasting van het eigen werk, geconcludeerd dat appellant daarvoor ongeschikt is te achten, maar wel geschikt voor andere, gangbare arbeid. De arbeidsdeskundige heeft een aantal functies geselecteerd, die voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn, en heeft op basis van de drie hoogst verlonende van deze functies het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 63,90%. Appellant kon evenwel bij zijn eigen werkgever in aangepast werk, dat wil zeggen: het eigen werk gedurende zes uur per dag in plaats van acht uur per dag, werkzaam blijven, waarbij de werkgever bereid was het volledige loon te blijven betalen. Uitgaande van de werkelijke verdiensten diende appellant, zo heeft de arbeidsdeskundige geadviseerd, te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 15%. Bij besluit van 23 juni 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 14 juli 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat appellant in aansluiting op de wachttijd van 52 weken minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Appellant heeft zich bij schrijven van 19 november 2003 tot het Uwv gewend en daarbij aangegeven dat hij door zijn werkgever wegens economische gronden per 1 december 2003 is ontslagen. Naar aanleiding van dit schrijven heeft de arbeidsdeskundige J. Eerhart op 19 en 25 november 2003 met appellant gebeld. Toen is gebleken dat appellant zich ook al op 31 oktober 2003 had ziek gemeld bij de werkgever, maar dat deze de melding niet had doorgegeven omdat appellant feitelijk al niet meer werkzaam was. De van deze gesprekken gemaakte telefoonnotitie vermeldt dat is afgesproken om appellant op te roepen voor geneeskundig onderzoek in verband met een zogeheten Amber-beoordeling. De verzekeringsarts heeft appellant op 2 december 2003 onderzocht en geoordeeld dat de beperkingen, zoals die waren neergelegd in de FML van 22 mei 2003, niet waren toegenomen. De arbeidsdeskundige heeft nog wel gerapporteerd op 17 december 2003 maar geconcludeerd dat geen arbeidskundig onderzoek nodig was nu de verzekeringsarts had vastgesteld dat de medische situatie niet was gewijzigd. Bij besluit van 24 december 2003 heeft het Uwv op die grond geweigerd appellant een WAO-uitkering toe te kennen met ingang van 28 november 2003, dat wil zeggen: met ingang van vier weken na de ziekmelding op 31 oktober 2003.

Appellant heeft tegen laatstgenoemd besluit bezwaar gemaakt en daarbij aangegeven dat zijn medische beperkingen wel zijn toegenomen en dat hij ten gevolge van zijn rugklachten, die ernstiger zijn dat de verzekeringsarts heeft aangenomen, de aan hem voorgehouden functies niet kan vervullen. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een verklaring van de behandelend orthopedisch chirurg dr. J. Rijnks van 19 januari 2004 ingezonden, alsmede een afschrift van het medisch journaal van de huisarts van 4 februari 2004. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij wel recht op een WAO-uitkering heeft, omdat hij met ingang van 1 december 2003 geen arbeidsinkomsten meer heeft, zodat vanaf die datum een WAO-uitkering dient te worden uitbetaald, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Met ingang van 1 december 2003 is namelijk naar zijn opvatting de toepassing van artikel 9, sub h, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit), niet langer mogelijk. De bezwaarverzekeringsarts C.M. de Blécourt-Kuiper heeft op 27 mei 2004 geconcludeerd dat er ten aanzien van appellant voldoende beperkingen zijn aangenomen en er geen medische reden is om af te wijken van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts. Het probleem ligt, zo heeft zij gesteld, in de praktische schatting. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 6 oktober 2004 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 december 2003 ongegrond verklaard onder de overweging dat van een toename van arbeidsongeschiktheid geen sprake is.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 6 oktober 2004 (hierna: het bestreden besluit) en daarbij - met herhaling van de in bezwaar aangevoerde gronden - onder meer aangegeven dat in elk geval per 1 december 2003 een beoordeling noodzakelijk was, waarbij, omdat appellant met ingang van die datum geen inkomsten uit werkzaamheden meer had, ook een arbeidskundige beoordeling noodzakelijk was. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard omdat zij de in het bestreden besluit gehandhaafde Amber-beoordeling juist achtte. Naar haar oordeel heeft het Uwv zich bij het bestreden besluit terecht gesteld op het standpunt dat van een toename van de medische beperkingen van appellant geen sprake was en om die reden een beoordeling van de arbeidskundige aspecten terecht achterwege heeft gelaten. Zij heeft daarbij overwogen dat het Uwv zich, gelet op artikel 43a WAO, terecht heeft beperkt tot een beoordeling met betrekking tot de datum 28 november 2003 en dat het besluit van 24 december 2003 niet anders kan worden opgevat dan als een besluit op een verzoek om WAO-uitkering op basis van artikel 43a WAO. Voor zover appellant moet worden geacht bij dat verzoek ook een verzoek om een reguliere WAO-beoordeling, waarbij een wachttijd van 52 weken in acht dient te worden genomen, te hebben gedaan, dient het Uwv daarop alsnog te beslissen.

In hoger beroep heeft appellant zijn bezwaren herhaald. Enerzijds is hij van mening dat er wel sprake was van een toename van zijn medische beperkingen en dat de in het bestreden besluit vervatte Amber-beoordeling om die reden onjuist is te achten. Anderzijds heeft hij aangegeven dat zijn brief aan het Uwv van 19 november 2003 ten onrechte als een ziekmelding is opgevat omdat het een verzoek behelst zijn situatie per 1 december 2003, het moment waarop hij geen inkomsten uit werkzaamheden meer heeft, opnieuw te bezien.

Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

De Raad is, gelet op de voorhanden zijnde feiten en omstandigheden, in de eerste plaats van oordeel dat de ziekmelding van appellant bij de werkgever op 31 oktober 2002 met zich bracht dat er een Amber-beoordeling diende te worden verricht, dat wil zeggen: een beoordeling of ten aanzien van appellant, met inachtneming van een wachttijd van vier weken, sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en dientengevolge van een recht op WAO-uitkering per 28 november 2003. Daarnaast is de Raad, anders dan de rechtbank en het Uwv, van oordeel dat appellant met zijn brief van 19 november 2003 onmiskenbaar heeft gevraagd om beëindiging van de zogeheten praktische schatting, welke ten grondslag lag aan het besluit van 23 juni 2003, hetgeen neerkomt op een verzoek om de toepassing van artikel 9, sub h, van het Schattingsbesluit te beëindigen. Op dat verzoek is door het Uwv naar het oordeel van de Raad niet adequaat gereageerd. In de omstandigheid dat de arbeidsdeskundige, naar aanleiding van de ontvangst van de brief van 19 november 2003, kennelijk met appellant heeft afgesproken dat er een Amber-beoordeling zou plaatsvinden, ziet de Raad onvoldoende grond om hier anders over te oordelen. Hij wijst er daarbij op dat uit de door de arbeidsdeskundige opgemaakte telefoonnotitie niet blijkt dat aan appellant het verschil is uitgelegd tussen een Amber-beoordeling per 28 november 2003 en een beoordeling per 1 december 2003 van het verzoek om gevolgen te verbinden aan het per die datum wegvallen van zijn inkomsten uit werkzaamheden, oftewel de beëindiging per die datum van de toepassing van artikel 9, sub h, van het Schattingsbesluit.

Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat het Uwv bij het besluit van 24 december 2003 op een niet adequate wijze heeft gereageerd op de beide verzoeken van appellant en dat het Uwv bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant, voor zover daarbij was gesteld dat ten onrechte geen gevolg was gegeven aan zijn verzoek tot beoordeling van zijn situatie per 1 december 2003, had dienen gegrond te verklaren en op dat verzoek alsnog had dienen te beslissen. De rechtbank had het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover het dit aspect betrof, derhalve gegrond dienen te verklaren en had dat besluit in zoverre dienen te vernietigen. De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, hiertoe als nog overgaan. Het Uwv zal alsnog op laatstbedoeld verzoek van appellant dienen te beslissen.

Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de geleden renteschade. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden, alsook aan de vraag of de kosten in bezwaar voor vergoeding in aanmerking komen.

Met betrekking tot de in het bestreden besluit vervatte Amber-beoordeling per 28 november 2003 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft geoordeeld dat van een toename van arbeidsongeschiktheid per die datum geen sprake was en dat om die reden geen recht op WAO-uitkering is ontstaan. Ook de Raad ziet, gelet op de voorhanden zijnde gegevens met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellant per 28 november 2003, onvoldoende grond om aan te nemen dat appellants medische beperkingen waren toegenomen. Appellant heeft zich op 30 oktober 2003 onder behandeling gesteld van de orthomanuele geneeskundige V.J. Hesselink, maar deze heeft bij zijn schrijven van 27 december 2003 verklaard dat hij appellant op 25 november 2003 voor het laatst heeft gezien, dat het appellant toen goed ging en op grond van zijn bevindingen weer belastbaar voor diens werk. Voor zover bij het bestreden besluit het standpunt is gehandhaafd dat appellant per 28 november 2003 geen recht heeft op een WAO-uitkering op grond van een Amber-beoordeling houdt dit besluit derhalve in rechte stand, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar, beroep en in hoger beroep, tot een bedrag van € 1.288,- in totaal.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van appellant per 28 november 2003, als gehandhaafd bij het bestreden besluit, ongegrond is verklaard;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij niet is beslist ter zake van de beoordeling van appellants mate van arbeidsongeschiktheid per 1 december 2002, gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;

Verstaat dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op het bezwaar neemt in inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant in bezwaar en in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en H. Bolt en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get) W.R. de Vries.

JL