Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
05/4975 WAO en 07/3329 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4975 WAO en 07/3329 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 juni 2005, 04/463 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Mr. R.G. Riemersma, verbonden aan Bureau Friesland van Rechtshulp Noord heeft de gronden van het hoger beroep ingediend. Aanvullende beroepsgronden, een rapportage van een psychologische expertise en een tweetal medische verklaringen zijn ingediend door mr. P. Rijnsburger, als advocaat werkzaam bij Rechtshulp Advocaten Noord, Vestiging Friesland.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op grond van een rapport van 14 mei 2007 van de bezwaarverzekeringsarts L. Zwemer en een rapport van 23 mei 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige B.H.M. Bootsma heeft het Uwv het bestreden besluit van 10 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit 1) gewijzigd en een nieuw besluit op bezwaar genomen, gedateerd 6 juni 2007 (het bestreden besluit 2).

Bij schrijven van 27 juli 2007 heeft mr. Rijnsburger een reactie op deze rapporten en het bestreden besluit 2 gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2007. Appellante was vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. Rijnsburger, het Uwv door

mr. J.T. Wielinga.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het bestreden besluit 1, waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 1 augustus 2003. Daarbij is de WAO-uitkering van appellante per 2 oktober 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

25-35%.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het Uwv de WAO-uitkering van appellante terecht heeft herzien naar deze mate van arbeidsongeschiktheid. In de omstandigheid dat het Uwv eerst hangende het beroep een volledige en voldoende motivering voor de geschiktheid van de geduide functies heeft gegeven, heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren en - met beslissing omtrent griffierecht - het bestreden besluit 1 te vernietigen met bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek te oppervlakkig, onzorgvuldig en onvolledig is geweest, dat het Uwv haar belastbaarheid heeft overschat, dat de passendheid van de geduide functies onvoldoende is gemotiveerd en dat de berekening en vaststelling van het maatmaninkomen onduidelijk is. Appellante heeft de Raad verzocht over te gaan tot benoeming van een deskundige (psychiater).

De Raad oordeelt als volgt.

Met betrekking tot het bestreden besluit 1:

Als hiervoor aangegeven heeft het Uwv bij besluit van 6 juni 2007 de WAO-uitkering van appellante per 3 oktober 2003 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Nu daaruit volgt dat het Uwv het bij het bestreden besluit 1 ingenomen standpunt ter zake van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per

3 oktober 2003 niet langer handhaaft, het Uwv ter zitting van de Raad heeft toegezegd de renteschade over de ten onrechte niet tijdig betaalde WAO-uitkeringen, in overeenstemming met de vordering van appellante, te zullen vergoeden overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 1 oktober 1995, onder andere gepubliceerd in Jurisprudentie Bestuursrecht (JB) 1995, 314 en ook overigens niet is gebleken dat appellante een rechtens te beschermen belang heeft bij een oordeel over de aangevallen uitspraak, mede omdat alle door appellante aangevoerde gronden die zien op het bestreden besluit 1 aan de orde kunnen en zullen komen bij de beoordeling van het bestreden besluit 2, dient appellante in haar hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dit dient te geschieden onder veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de door appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 805,-- ter zake van in hoger beroep verleende rechtsbijstand en vergoeding van het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht.

Met betrekking tot het bestreden besluit 2:

Het (hoger) beroep van appellante moet, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 6:24 van die wet, nu het Uwv met het bestreden besluit 2 niet geheel aan het (hoger) beroep van appellante tegemoet is gekomen, geacht worden mede gericht te zijn tegen dit besluit.

De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Evenmin is de Raad tot de conclusie kunnen komen dat deze artsen een onvoldoende zorgvuldig of onvolledig onderzoek hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellante. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Met betrekking tot de in hoger beroep door appellante ingebrachte informatie overweegt de Raad dat hij niet tot de overtuiging is kunnen komen dat het Uwv meer beperkingen, waaronder een urenbeperking, voor appellante had moeten aannemen. De Raad heeft daarbij betrokken dat bezwaarverzekeringsarts

L. Zwemer in haar rapporten van 11 december 2006 en 14 mei 2007 uitvoerig heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding is tot het vaststellen van een andere belastbaarheid per 3 oktober 2003 dan de primaire arts in 2003 op basis van eigen onderzoek had vastgesteld.

De Raad ziet dan ook geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige. In de stelling van appellante dat met de door haar verzochte benoeming van een onafhankelijke deskundige (tevens) de door artikel 6 EVRM verboden ongelijkheid van procespartijen wordt opgeheven, heeft de Raad, wat er ook overigens van dat standpunt zij, evenmin aanleiding gezien dat verzoek in te willigen, reeds omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt, laat staan aangetoond, dat in het onderhavige geschil tussen appellante en het Uwv deskundigen slechts in opdracht van de rechter of het Uwv bereid zouden zijn om een expertise te verrichten.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van het bestreden besluit 2 is de Raad van oordeel dat het Uwv in voldoende mate de geschiktheid van appellante voor de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft gemotiveerd, waarbij de Raad met name verwijst naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Bootsma van 23 mei 2007 en het ter zitting met toestemming van appellante door het Uwv in het geding gebrachte rapport van dezelfde bezwaararbeidsdeskundige van 9 augustus 2007. Het is de Raad overigens niet ontgaan dat deze bezwaararbeidsdeskundige niet is ingegaan op de passendheid van de functie samensteller metaalwaren, behorend tot SBC-code 264140. Deze omissie leidt echter niet tot gevolgen, omdat de Raad van oordeel is dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat deze functie buiten het bereik van de vastgestelde functionele mogelijkheden van appellante ligt.

Ten aanzien van de grief dat onduidelijk is op welke wijze het maatmaninkomen van appellante is berekend en vastgesteld is de Raad van oordeel dat het Uwv blijkens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Bootsma van 9 augustus 2007, onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige B. de Wreede van 14 maart 2001 en de daarbij behorende bijlagen (gedingstukken 10 en 11) genoegzaam heeft gemotiveerd op welke wijze de berekening en vaststelling van het maatmaninkomen tot stand is gekomen. De daarop betrekking hebbende en niet nader onderbouwde grief van appellante slaagt derhalve niet.

Het voorgaande betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 805,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 september 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) S. Sweep.

MH