Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4558

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
05-4922 ZW, 05-4923 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting en weigering ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4922 ZW, 05/4923 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2005, 04/3644 en 04/5264 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.G. Zwaal, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2007. Namens appellante is

mr. Zwaal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. van der Bent.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Verlaging WAO-uitkering met ingang van 18 januari 2004, 05/4923 WAO

Bij besluit van 15 december 2003 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van

18 januari 2004 ingetrokken. Bij besluit van 1 november 2004 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 december 2003 gegrond verklaard en de WAO-uitkering met ingang van 18 januari 2004 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van

1 februari 2005 heeft vastgesteld dat ook met de door de bezwaarverzekeringsarts op

5 augustus 2004 gesignaleerde beperkingen appellante de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies adequaat kan uitoefenen. Dat leidt ertoe dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellante, zoals eerder door de arbeidsdeskundige vastgesteld, op de datum in geding minder dan 15% bedraagt. Het Uwv heeft aanleiding gezien om het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante te handhaven op 15 tot 25%, nu dit reeds in bestreden besluit 1 was neergelegd. De rechtbank stelt vast dat van de zijde van appellante de hernieuwde arbeidskundige beoordeling en de daaraan ten grondslag liggende geschiktheid van de functies niet verder zijn bestreden. Tevens heeft appellante geen medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat aan de ongedateerde brief van de (verzekerings)arts

W.J. Reilman naar aanleiding van diens onderzoek van 9 december 2002, waarop appellante een beroep heeft gedaan, geen betekenis toekomt. Voorts stelt de rechtbank vast dat de omschrijvingen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies passen binnen de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Appellante moet dan ook volgens de rechtbank in staat worden geacht de haar voorgehouden functies te verrichten.

Appellante heeft in hoger beroep zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 aangevochten. Het Uwv heeft bij rapport van de bezwaararbeids-deskundige van 21 juni 2007 een nadere motivering van de geschiktheid van de appellante voorgehouden functies ingezonden. Naar aanleiding van de klacht van appellante dat bij de medische beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de onderlinge samenhang van haar medische klachten overweegt de Raad dat uit de rapporten van zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat deze alle door appellante geuite klachten in ogenschouw hebben genomen. De bezwaar-verzekeringsarts heeft voorts de brief van de huisarts van appellante van 13 januari 2004 in de beoordeling betrokken en rekening gehouden met de longklachten die appellante in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht. Op basis van inlichtingen van 20 juli 2004, ingewonnen bij de behandelend longarts C.R. Apap, heeft de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellante, zoals door de verzekeringsarts omschreven in de FML, aangepast met het oog op haar longklachten en allergie. Aldus heeft naar het oordeel van de Raad een zorgvuldig medisch onderzoek plaatsgevonden waarbij in voldoende mate rekening is gehouden met de klachten van appellante. Appellante heeft haar standpunt dat de combinatie van klachten haar minder belastbaar maakt dan is aangenomen, niet met medische gegevens onderbouwd. De Raad ziet dan ook geen grond voor twijfel aan de juistheid van de in de FML van 23 augustus 2004 neergelegde belastbaarheid en acht het niet noodzakelijk een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen. Aan de eerdergenoemde brief van de arts Reilman komt in dit geding geen betekenis toe, nu deze betrekking had op een onderzoek van 9 december 2002 en appellante bovendien, in overeenstemming met die brief, nadien vooralsnog onverminderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is geacht. Daarna is hernieuwd verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht dat heeft geleid tot bestreden besluit 1. Zoals in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 21 juni 2007 nader, en naar het oordeel van de Raad toereikend, is toegelicht, moet appellante op de hier relevante datum 18 januari 2004 in staat worden geacht met inachtneming van haar belastbaarheid de vijf door de arbeidsdeskundige voor haar geselecteerde functies te verrichten. Daarvan zijn de functies controleur, tester elektrotechnische apparatuur (sbc-code 267060), productiemedewerker (sbc-code 111180) en elektronicamonteur (sbc-code 267040) aan de schatting ten grondslag gelegd. Blijkens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 21 juni 2007 valt de met deze functies verbonden belasting binnen grenzen van de belastbaarheid van appellante. Gelet op de met die functies theoretisch te realiseren verdiencapaciteit is de mate van arbeidsongeschiktheid met 15 tot 25% niet onderschat.

Met betrekking tot de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit 1 stelt de Raad vast dat het Uwv niet eerder dan in de hoger beroepsfase de, gelet op de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 ( LJN: AR4716 en volgende), gewenst geachte motivering heeft gegeven. Gelet op ’s Raads standpunt met betrekking tot het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) moet zulks tot de conclusie leiden dat bestreden besluit 1 dient te worden vernietigd. Uit vorenstaande overwegingen volgt voorts dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

Weigering ziekengeld met ingang van 25 februari 2004, 05/4922 ZW

Appellante heeft zich op 25 februari 2004 ziek gemeld wegens chronische bronchitis. Zij ontving toen een werkloosheidsuitkering. De verzekeringsarts is, mede op basis van de inlichtingen, verkregen van de behandelend longarts Apap van 16 april 2004, tot het oordeel gekomen dat appellante op 25 februari 2004 onverminderd in staat was haar arbeid, zijnde een of meer van de haar in het kader van de WAO-beoordeling voor-gehouden functies, te verrichten. Daarop heeft het Uwv bij besluit van 18 mei 2004 aan appellante geen uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn heroverweging ook de brief van de huisarts van appellante van

13 januari 2004 betrokken. Bij besluit van 16 juli 2004 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 mei 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.

De Raad is van oordeel dat een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag ligt aan het, na bezwaar gehandhaafde, standpunt van het Uwv om appellante met ingang van 25 februari 2004 niet toegenomen arbeidsongeschikt te achten ten opzichte van haar toestand op 18 januari 2004. In hoger beroep heeft appellante dezelfde gronden aangevoerd als in de WAO-zaak. De Raad ziet hierin geen grond anders te oordelen dan de rechtbank en verwijst voorts naar zijn oordeel in de WAO-zaak. Appellante was dan ook op 25 februari 2004 geschikt te achten voor de haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard, zal vernietigen, het beroep tegen dat besluit gegrond zal verklaren en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zal laten. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 177,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.

MH