Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4533

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
05-1322 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/1322 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 januari 2005, 03/2377 WAZ (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te

’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2007. Zijdens appellante is er

- met voorafgaand bericht - niemand verschenen, terwijl het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

Bij beslissing van 14 augustus 2001 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante met ingang van 30 januari 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen toe te kennen, onder overweging dat zij, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

De rechtbank Breda heeft de beslissing op bezwaar van 3 september 2002 waarbij het bezwaar tegen voornoemd besluit van 14 augustus 2001 ongegrond was verklaard vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Bij beslissing op bezwaar van 2 oktober 2003 heeft het Uwv vervolgens het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Het hoger beroep is beperkt tot het oordeel van de rechtbank over de omvang van appellantes maatman, die door het Uwv - naar appellante meent ten onrechte - is vastgesteld op 38 uur per week. Appellantes gemachtigde heeft zijn in de voorafgaande procedure naar voren gebrachte standpunt dat dit 26 uur per week moet zijn herhaald en nader onderbouwd met een rapport van de registerarbeidsdeskundige ing. R.B. van Vliet, gedateerd 14 april 2005.

De Raad oordeelt als volgt.

Evenals de rechtbank heeft de Raad in de in dit geding beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde arbeidskundige oordeel.

De Raad neemt tot uitgangspunt appellantes initiële eigen opgave van het aantal per week gewerkte uren, die zij zowel aan een buitendienstmedewerker van het Uwv als aan haar particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeraar AMEV heeft gedaan.

De naar aanleiding van de namens appellante opgeworpen stellingen verrichte uitvoerige arbeidskundige onderzoeken, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundigen R.J.C. Hogeveen en W.A.M.H. Heijmans van

1 oktober 2003 respectievelijk 29 november 2004 en laatstelijk 5 september 2006, brengen de Raad tot het oordeel dat het Uwv ervan heeft mogen uitgaan dat appellante ten tijde hier in geding, inclusief managementtaken zoals het uitoefenen van toezicht en het doen van de administratie en dergelijke, bij het zelfstandig uitoefenen van de bij het kappersvak behorende taken, (ten minste) 38 uur per week heeft gewerkt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat moet worden beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 september 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.

TM