Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
05-4631 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing AAW-uitkering. Betrokkene voldoet niet aan de zogenoemde inkomenseis inzake de AAW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4631 AAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 10 juni 2005, 04/363 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Barth, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nog nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Barth, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel XIII, eerste lid, aanhef en onder e, van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen blijft de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), zoals die wet op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet te zijnen aanzien gold, met uitzondering van de in het tweede lid genoemde artikelen, van toepassing op de persoon wiens arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW voor de dag van de inwerkingtreding van deze wet is ingetreden en voor wie de wachttijd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet op die dag was verstreken, doch die op die dag geen recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van die wet, uitsluitend omdat een aanvraag tot toekenning van die uitkering niet was ingediend, met betrekking tot die arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW -zoals deze wet luidde ten tijde in dit geding van belang- heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde van 17 jaar of ouder die arbeidsongeschikt wordt indien hij in het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, inkomen heeft verworven uit of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.

Appellant heeft op 27 augustus 2003 een aanvraag ingediend voor een uitkering krachtens de AAW. Daarbij heeft hij de datum 5 december 1997 genoemd als eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid. Appellant is op 29 september 2003 gezien door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts. Deze arts heeft in haar rapportage d.d. 29 september 2003 verslag gedaan van het door haar verrichte onderzoek. Zij heeft als haar opvatting te kennen gegeven dat de eerste fysieke klachten van appellant dateren van 1987 en, dat deze klachten nadien zijn toegenomen en dat nog weer later ook psychische beperkingen zijn ontstaan. Zij heeft haar bevindingen vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 september 2003. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 7 oktober 2003 de aanvraag van appellant voor een AAW-uitkering afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan de eis dat hij in het jaar voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid - medio 1987 - een inkomen uit arbeid (of een daarmee gelijk te stellen inkomen) heeft verdiend (de zogenoemde inkomenseis).

Appellant heeft tegen het besluit van 7 oktober 2003 bezwaar gemaakt en daarbij onder meer gesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ten onrechte is bepaald op medio 1987. Naar zijn mening dient de eerste arbeidsongeschiktheidsdag alsnog te worden bepaald op een dag in de periode van december 1979 tot begin juli 1980. Met een eerste arbeidsongeschiktheidsdag in deze periode zou appellant wel voldoen aan de inkomenseis, neergelegd in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW. Een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossieronderzoek, waaronder informatie uit de behandelend sector, gerapporteerd en geconcludeerd dat er geen medisch objectiveerbare argumenten zijn op grond waarvan de door de verzekeringsarts gehanteerde eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden verworpen. De bezwaarverzekeringsarts is daarbij ingegaan op een zich onder de stukken bevindende verklaring van de toenmalige huisarts van appellant van 11 december 1979, inhoudende dat appellant in verband met de toestand van zijn knieƫn geen knielend werk kan doen.

Bij besluit van 15 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 oktober 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en beslissingen gegeven ter zake van de vergoeding van betaald griffierecht en gemaakte proceskosten. Zij heeft daartoe -kort weergegeven- geoordeeld dat het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht heeft bepaald op medio 1987, maar dat, nu appellant niet op zijn bezwaar is gehoord, het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.

Ter beoordeling staat, gelet op het in hoger beroep aangevoerde, thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag in het bestreden besluit.

Appellant heeft in hoger beroep wederom gesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ten onrechte is bepaald op medio 1987. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ligt in de periode van december 1979 tot begin juli 1980, heeft hij gewezen op de hierboven genoemde verklaring van de huisarts van 11 december 1979, alsmede op een tijdens de procedure voor de rechtbank in het geding gebracht rapport van een inspecteur van het Gemeenschappelijk administratiekantoor (Gak) van 3 juli 1980. Voorts heeft hij in hoger beroep nog een tweetal verklaringen in het geding ingebracht, te weten een verklaring van H.G. de Boer van 29 juni 2007 en een verklaring van

A. van Graft van juni 2007. Appellant heeft tevens aangevoerd dat hem het voordeel van de twijfel dient te worden gegund.

Het Uwv heeft in hoger beroep wederom betoogd dat de voorhanden zijnde gegevens geen steun bieden voor de door appellant betrokken stelling.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de stelling van appellant, dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen in de periode van december 1979 tot begin juli 1980 niet kan worden gevolgd en dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag bij het bestreden besluit terecht is bepaald op medio 1987. De Raad schaart zich daarbij achter de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Hij voegt daar nog het volgende aan toe.

Appellant heeft zijn aanvraag pas gedaan in 2003. Daarbij heeft hij zelf gesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 5 december 1997 dient te worden bepaald. Nadat appellant het besluit van 7 oktober 2003 had ontvangen, heeft hij zijn standpunt herzien en alsnog gesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op een veel eerder moment was gelegen, te weten in de periode van december 1979 tot begin juli 1980. In een situatie als deze dient, zo heeft de Raad reeds vaker uitgesproken (zie zijn uitspraak van 5 maart 2004, LJN AP2901, gepubliceerd in RSV 2004/170), het nadeel van de omstandigheid dat de (medische situatie op de) eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet meer op een verantwoorde wijze is vast te stellen voor rekening en risico van appellant te worden gebracht. Appellant kan derhalve niet het voordeel van de twijfel worden gegund.

De Raad is voorts van oordeel dat de summiere voorhanden zijnde gegevens geen steun bieden voor de door appellant betrokken stelling. Aan het uitkeringsverleden van appellant, tezamen met de verklaringen van de huisarts en de inspecteur van het Gak, kan weliswaar worden ontleend dat appellant op enig moment in 1979 wegens ziekte is uitgevallen voor het door hem op dat moment verrichte werk van constructielasser, maar deze gegevens bieden onvoldoende grond voor het oordeel dat appellant op dat moment geheel dan wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt was in de zin van de AAW. De Raad wijst er daarbij nog op dat appellant vanaf enig moment in 1980 in aanmerking is gebracht voor een uitkering krachtens de Werkloosheidswet hetgeen in ieder geval de veronderstelling met zich brengt dat appellant op dat moment niet door ziekte of gebrek ongeschikt was om arbeid te verrichten. De in hoger beroep ingebrachte verklaringen brengen de Raad niet tot een ander oordeel.

Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 september 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Gunter.

JL