Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4514

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
07-1882 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Niet-ontvankelijkheidsverklaring i.v.m. termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1882 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 februari 2007, 06/128 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, die wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 8 december 2005 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 25 november 2005 bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift heeft hij dezelfde dag persoonlijk bezorgd bij een kantoor van het Uwv. In het bezwaarschrift heeft appellant onder meer vermeld dat in het besluit van 11 oktober 2005 is aangegeven dat tot 23 november 2005 bezwaar kan worden gemaakt en dat hij deze datum aanvankelijk abusievelijk had gelezen als 28 november 2005. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat hij overspannen is en niet goed functioneert.

Het Uwv heeft het bezwaar bij besluit van 6 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij is vermeld dat de door appellant opgegeven reden voor het te laat indienen van het bezwaarschrift niet als een bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat hij als gevolg van ziekte, te weten chronische vermoeidheid en overspannenheid, te laat bezwaar heeft gemaakt. Hierbij heeft hij onder meer een brief ingebracht van zijn huisarts, J.H.G. Scholten, van 22 maart 2006 en een brief van sociaal-psychiatrisch verpleegkundige H. Tigchelaar, verbonden aan de RIAGG, van 11 september 2006. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het niet aannemelijk is geworden dat appellant buiten staat was om tijdig bezwaar te maken. Volgens de rechtbank was eerder sprake van een vergissing van de zijde van appellant, nu dit de reden is die hij primair heeft opgegeven voor de termijnoverschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit voor rekening te komen van appellant.

In hoger beroep heeft appellant wederom naar voren gebracht dat hij vanwege zijn medische klachten niet adequaat kon reageren en dat de termijnoverschrijding ten onrechte niet verschoonbaar is geacht.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

De Raad overweegt als volgt.

Appellant heeft op 6 augustus 2007, derhalve met overschrijding van de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), per faxbericht nadere stukken ingezonden. Nu de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad desgevraagd heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het bij de behandeling betrekken van deze stukken, heeft de Raad geen aanleiding gezien de stukken buiten beschouwing te laten.

Vervolgens stelt de Raad vast dat, zoals tussen partijen niet in geschil is, het bezwaarschrift tegen het besluit van 11 oktober 2005 buiten de geldende bezwaartermijn van zes weken is ingediend.

Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend bezwaarschrift blijft op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Evenals de rechtbank is de Raad tot de conclusie gekomen dat in dit geval geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Voor de Raad is niet komen vast te staan dat appellant gedurende de bezwaartermijn buiten staat was om een - al dan niet voorlopig - bezwaarschrift in te (laten) dienen. De door appellant overgelegde medische stukken bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Hierbij verwijst de Raad mede naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J. Nagel van 29 juni 2006. Voorts merkt de Raad nog op dat appellant blijkens de gedingstukken in staat is gebleken om op 1 november 2005, derhalve binnen de bezwaartermijn, een brief op te stellen, gericht aan zijn bedrijfsarts, waarin diverse bezwaren uiteen zijn gezet met betrekking tot het medisch en arbeidskundig onderzoek dat aan het besluit van 11 oktober 2005 vooraf is gegaan.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb heeft de Raad geen aanleiding gezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) P. van der Wal.

JL