Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4430

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
27-09-2007
Zaaknummer
06/608 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Raad niet bevoegd inzake aanvraag om bijdrage uit het Declaratiefonds 2004. Doorzending naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding.

Wetsverwijzingen
Beroepswet 18, geldigheid: 2007-09-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/517

Uitspraak

06/608 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 december 2005, 05/1986 en 05/1987 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Nijk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H. de Graaf, werkzaam bij de gemeente Ommen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 2 februari 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een anonieme tip dat [S.] (hierna: [S.]) praktisch dagelijks bij appellante verblijft heeft de Unit Sociale Recherche Zwolle e.o. (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld. In dat kader zijn observaties verricht, zijn appellante en [S.] verhoord en zijn administratieve gegevens van beiden onderzocht. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 27 april 2005.

Bij afzonderlijke besluiten van 25 mei 2005 is de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2005 beëindigd (lees: ingetrokken), de bijstand over de periode van 2 februari 2004 tot en met 31 maart 2005 ingetrokken en zijn de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.075,60 van appellante teruggevorderd en is tevens een aanvraag om uitkering uit het zogeheten Declaratiefonds 2004 afgewezen. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met [S.] en inkomsten als volleybaltrainer ontving zonder daarvan melding te maken bij het College. Bij besluit van 5 juli 2005 is voorts een nieuwe aanvraag van 1 juni 2005 afgewezen op de grond dat geen sprake was van gewijzigde omstandigheden.

Bij besluit van 1 november 2005 heeft het College de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 1 november 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover dit ziet op de afwijzing van de nieuwe aanvraag van 1 juni 2005, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College ter zake een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het College appellante bij nader besluit van 17 januari 2006 alsnog met ingang van 1 juni 2005 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij de ingestelde beroepen ongegrond zijn verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De bijdrage uit het Declaratiefonds 2004

De Raad stelt eerst vast dat de aangevallen uitspraak gedeeltelijk ziet op de geweigerde bijdrage uit het Declaratiefonds 2004. In artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is onder meer bepaald dat een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hoger beroep kan instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tenzij tegen die uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan - voor zover hier van belang - een belanghebbende bij de Raad beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank inzake een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet. De regeling ter zake van het Declaratiefonds is niet opgenomen in die bijlage, zodat de Raad niet bevoegd is te oordelen over de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de geweigerde bijdrage. Het hoger beroepschrift zal, voor zover het op die bijdrage betrekking heeft, met toepassing van artikel 6:15 van de Awb worden doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De intrekking en terugvordering

Vaststaat dat appellante en [S.] ten tijde in geding nog gehuwd waren. Derhalve heeft het College door toetsing aan het begrip gezamenlijke huishouding een onjuiste wettelijke maatstaf aangelegd. Het College had moeten vaststellen of appellante ten tijde hier van belang duurzaam gescheiden leefde van [S.] en mitsdien als ongehuwde diende te worden aangemerkt. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 1 november 2005 in zoverre vernietigen en voorts beoordelen of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 1 november 2005 in stand te laten.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd. Naar vaste rechtspraak van de Raad is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenwoning betreft, waardoor men ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en [S.] ten tijde in geding niet duurzaam gescheiden leefden in vorenbedoelde zin. Uit de door appellante op 20 april 2005 ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaring komt duidelijk naar voren dat [S.] ten tijde in geding frequent in de woning van appellante aanwezig was en daar ook regelmatig de nacht doorbracht, dat appellante de was deed voor [S.], dat gezamenlijk werd gegeten en dat appellante gebruik maakte van de pinpas van [S.] en dat persoonlijke bezittingen waaronder kleding en administratie zich in de woning bevonden. Dat deze verklaring onder ontoelaatbare druk is afgelegd, onjuist is of om andere redenen buiten beschouwing dient te blijven, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. De Raad merkt in dit verband nog op dat de verklaring van appellante in belangrijke mate met de door [S.] afgelegde verklaring overeenkomt en dat beide verklaringen tevens steun vinden in andere objectieve gegevens zoals de resultaten van verrichte observaties, de ten huize van appellante aangetroffen situatie alsmede de ter inzage gegeven administratieve bescheiden. Dat de frequente aanwezigheid van [S.] in de woning van appellante met name zou zijn ingegeven door de problematiek rond hun beider zoon [D.] kan hier niet aan afdoen. In het verlengde daarvan ziet de Raad evenmin grond om te onderscheiden tussen de periode vóór en na 12 juni 2004. Uit een en ander leidt de Raad af dat de eenheid van het gezin ten tijde hier in geding niet verbroken was. Alhoewel uit de door appellante afgelegde verklaring tevens naar voren komt dat [S.] vanwege zijn dienstrooster ook periodes afwezig was, maakt dit nog niet dat er sprake was van een als bestendig bedoelde gewilde verbreking van de echtelijke samenleving in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellante en [S.] ingevolge artikel 4, aanhef en onder c, van de WWB ten tijde in geding als een gezin moeten worden beschouwd, zodat appellante niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Aangezien appellante hiervan geen melding heeft gemaakt, heeft zij in strijd gehandeld met de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan is aan appellante gedurende het tijdvak van 2 februari 2004 tot en met 31 maart 2005 ten onrechte bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de hier te beoordelen periode (van 2 februari 2004 tot en met 25 mei 2005) in te trekken. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond om te oordelen dat het College in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand.

Met het voorgaande is gegeven dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om de gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Het College voert blijkens de Fraudeverordening gemeente Ommen 2005 het beleid dat altijd wordt teruggevorderd tenzij sprake is van dringende redenen of zogenoemde kruimelgevallen. Zoals de Raad al meermalen heeft uitgesproken gaat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad stelt voorts vast dat het College in overeenstemming met zijn ten tijde van het besluit van 1 november 2005 geldende beleid heeft gehandeld. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb in afwijking van de beleidsregel geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Namens appellante is ter zake van de terugvordering nog een beroep gedaan op de zogeheten zesmaanden-jurisprudentie van de Raad. Betoogd is dat het College binnen zes maanden na de ingekomen tip over vermeende fraude tot intrekking en terugvordering had moeten overgaan, zodat - nu dit niet is gebeurd - het College niet bevoegd moet worden geacht de na afloop van die periode nog verleende bijstand van appellante terug te vorderen. De Raad kan appellante in die zienswijze niet volgen. Nog daargelaten dat bij vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting in beginsel geen beroep kan worden gedaan op de zesmaanden-jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 27 maart 2007, LJN BA2072), ziet appellante er immers aan voorbij dat een anonieme tip op zichzelf onvoldoende grondslag vormt voor een besluit tot intrekking en/of terugvordering van bijstand. Wel kan en dient een dergelijke concrete tip in zaken als de onderhavige aanleiding te vormen voor een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van de betrokkene. Eerst indien en zodra dit onderzoek voldoende grondslag oplevert voor een nader te nemen besluit van het bestuursorgaan en het bestuursorgaan niettemin niets onderneemt (en aldus de vordering onnodig laat oplopen) kan er aanleiding zijn de zesmaanden-jurisprudentie toe te passen. In dit geval ziet de Raad daarvoor geen aanleiding. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat een fraudeonderzoek naar de woon- en leefsituatie van de betrokkene als regel enige tijd vergt. De Raad is, mede gelet op de zorgvuldigheidseisen die aan een dergelijk ingrijpend onderzoek moeten worden gesteld, niet kunnen blijken dat het College in dit geval onnodig lang heeft getalmd om tot de onderhavige besluitvorming te geraken. De daartegen gerichte grief treft derhalve geen doel.

Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat het de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 1 november 2005, voor zover dit ziet op de intrekking en de terugvordering, in stand kunnen blijven. In zoverre slaagt het hoger beroep dan ook niet.

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de bijdrage ingevolge het Declaratiefonds 2004 van de gemeente Ommen;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de intrekking en de terugvordering van bijstand;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond;

Vernietigt het besluit van 1 november 2005 voor zover dit betrekking heeft op de intrekking en terugvordering en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in zoverre in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Ommen;

Bepaalt dat de gemeente Ommen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en G. van der Wiel en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

PR