Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
05-2331 REA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek vergoeding voor de kosten van aanschaf van een melkrobot en een mestschuif op grond van de wet REA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2331 REA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 maart 2005, 04/533 REA (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 12 september 2007

I. PROCESVERLOOP

1.1. Namens appellant heeft mr. P.J. van ’t Hoff, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

1.2. Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Bij brief van 16 december 2005 heeft appellant een rapport van de arbeidsdeskundige J. van der Sterren van 13 december 2005 in geding gebracht. Het Uwv heeft hierop gereageerd met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.J. van Heun van 7 februari 2006.

1.4. Bij brief van 7 juni 2007 heeft appellant onder meer medische gegevens inzake de gezondheidstoestand van zijn echtgenote overgelegd.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. F.A.C. Klaassen, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand. Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

2.1. Appellant is zelfstandig melkveehouder en heeft samen met zijn echtgenote een melkveebedrijf in de vorm van een maatschap waarin het aandeel van appellant 40 % bedraagt en dat van zijn echtgenote 60 %. Het bedrijf heeft ongeveer honderd melkkoeien en vijfennegentig stuks jongvee. Appellant ondervindt bij zijn werkzaamheden beperkingen vanwege rugklachten. In verband daarmee heeft Uwv hem per 14 november 1994 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (WAZ), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80 %, toegekend.

2.2. GLTO Bedrijfsadvies B.V. heeft op 31 mei 2002 namens appellant, op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA), een vergoeding aangevraagd voor de kosten van aanschaf van een melkrobot en een mestschuif. De geoffreerde aanschafprijs voor de melkrobot bedraagt € 246.000,-- en van de mestschuifinstallatie € 12.084,-- (excl. BTW).

2.3. Ing. J.H. Olminkhof, specialist melkwinning en automatisch melken van DLV Bouw, Milieu en Techniek B.V. (DLV), heeft op 17 januari 2003 advies uitgebracht aan het Uwv, inhoudend dat de huidige 2x6 Westfalia melkstal uit 1983 van appellant te weinig capaciteit heeft waardoor het melken te lang duurt. Bij nieuwbouw zou een 2x8 melkstal de oplossing zijn waarbij het melken, met het schoonmaken van de melkstal, circa 3 tot 4 uur per dag in beslag neemt, hetgeen voor een gezonde veehouder acceptabel is. Daarbij is aangegeven dat de jaarlijkse vaste meerkosten voor twee automatische Lely melksystemen € 32.361,-- (excl. BTW) bedragen. Doordat appellant bij aanschaf van een melkrobot nog slechts voor 8 uur in plaats van 20 uur gebruik hoeft te maken van bedrijfshulp door derden, in casu een STAP-medewerker, dalen de jaarlijkse variabele kosten met € 1125,--.

2.4. De arbeidsdeskundige van het Uwv, E.J. Brinkert, heeft in zijn rapport van 1 april 2003 aangegeven dat op grond van de rapportage van de verzekeringsarts A.J. Mackor van 27 augustus 2002 kan worden geconcludeerd dat de gevraagde voorziening medisch geïndiceerd is. Voorts is aangegeven dat de werkzaamheden van appellant niet verder overdraagbaar zijn aan zijn echtgenote omdat zij het jongvee verzorgt en de administratie doet. Appellant verricht ook huishoudelijke taken om zijn vrouw te ontlasten. De arbeidsdeskundige komt tot de conclusie dat de vergoeding van de meerkosten van een automatisch melksysteem ten opzichte van de kosten van een 2x8 melksysteem de goedkoopste adequate voorziening vormt. De arbeidsdeskundige acht de mestschuifinstallatie algemeen gebruikelijk in een bedrijf met honderd melkkoeien en een melkrobot.

2.5. De stafarbeidsdeskundige R.F. Krabbenbos heeft op 8 mei 2003 de afhandeling van de aanvraag van appellant aangehouden in afwachting van beleidsvorming. Op 8 september 2003 heeft Krabbenbos geadviseerd de aanvraag van appellant af te wijzen op de grond dat er geen medische en economische noodzaak is voor een werkvoorziening.

2.6. Bij besluit van 26 september 2003 heeft het Uwv de aanvraag van appellant voor vergoeding van de melkrobot en de mestschuif afgewezen.

2.7. Appellant heeft op 20 oktober 2003 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 september 2003 voor zover het de afwijzing van de vergoeding van de meerkosten van een melkrobot betreft.

2.7. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 september 2003 heeft de bezwaararbeidsdeskundige G.C. van Welzenis op 16 februari 2004 rapport uitgebracht. Daarin is aangegeven dat de aanleiding voor de aanvraag van appellant een toename van zijn klachten is geweest. In de praktijk begint appellant ’s-ochtends met het melken en wordt dit na een uur overgenomen door de STAP-medewerker. ’s-Avonds wordt het melken na een uur van hem overgenomen door zijn echtgenote. In de huidige situatie van de 2x6 melkstal wordt in totaal 5 uur per dag gemelkt, waarvan appellant 2 uur voor zijn rekening neemt. De bezwaararbeidsdeskundige is - na overleg met de bezwaarverzekeringsarts - tot de conclusie gekomen dat in de huidige situatie de belastbaarheid van appellant tijdens het melken ruimschoots wordt overschreden. Voorts is aangegeven dat uit het advies van DLV blijkt dat de huidige melkstal aan vervanging toe is en dat deze normaliter door een 2x8 melkstal zou worden vervangen waardoor de melktijd, inclusief het schoonmaken van de melkstal, terugloopt naar circa drie tot vier uur per dag. In dat geval is het melken, gelet op de huidige inzet van de echtgenote en de STAP-medewerker, binnen het bedrijf volledig over te dragen. Ten slotte is aangegeven dat in de rapportages van het primaire team te weinig aandacht is geweest voor het uitgangspunt dat bij de toekenning van een werkvoorziening rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheden om de werkzaamheden die voor de arbeidsgehandicapte een te grote belasting vormen binnen de organisatie van het bedrijf over te laten aan een medevennoot, gezinsleden en loonwerkers. In het geval van appellant kan werkverdeling de noodzakelijke oplossing bieden waardoor de verstrekking van de melkrobot niet noodzakelijk is.

2.8. Bij besluit van 19 maart 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 september 2003 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat een werkvoorziening pas noodzakelijk is indien het niet mogelijk is binnen de organisatie van het bedrijf door werkverdeling tegemoet te komen aan de beperkingen in de belastbaarheid van de arbeidsgehandicapte. Uitgaande van het feit dat een 2x8 melkstal bij een bedrijf als dat van appellant inherent is aan de bedrijfsvoering en de melktijd daarbij nog slechts 3 uur en 10 minuten per dag bedraagt, kan met de bestaande inzet van de echtgenote en de bedrijfshulp het melken appellant geheel uit handen worden genomen.

2.9. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 maart 2004 ongegrond verklaard.

2.10. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de melktaak op het bedrijf van appellant volledig door zijn echtgenote en de STAP-medewerker kan worden verricht. De STAP-medewerker is slechts vier ochtenden aanwezig waardoor op de andere drie ochtenden en ’s-avonds al het werk zou moeten worden verricht door zijn echtgenote. De echtgenote van appellant ondervindt in toenemende mate rugklachten waardoor het werk voor haar te belastend is geworden.

3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2. Artikel 22 van de Wet REA luidde ten tijde in geding en voor zover van belang als volgt:

“1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de arbeidsgehandicapte, bedoeld in artikel 10, op aanvraag of ambtshalve voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.

2. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstaan:

a. scholing of opleiding;

b. voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het kunnen volgen van scholing of opleiding als bedoeld in onderdeel a;

c. voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het kunnen verrichten van onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats bij een werkgever en voor het kunnen deelnemen aan andere activiteiten die bevorderlijk zijn voor de inschakeling in de arbeid.

3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag aan de arbeidsgehandicapte, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, andere voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid dan de voorzieningen, bedoeld in het tweede lid, indien zij noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de werkzaamheden op grond waarvan de arbeidsgehandicapte verzekerd is voor de WAZ.”

3.3. Artikel 2 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA (hierna: Besluit) luidde ten tijde in dit geding van belang als volgt:

“1. Een subsidie als bedoeld in (…) artikel 22 en 31 van de Wet, wordt niet verstrekt indien kosten zijn gemaakt ten behoeve van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn of waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is.

2. In afwijking van het eerste lid kan (…) een voorziening als bedoeld in artikel 22 en 31 van de Wet, wel verstrekt worden indien deze dient ter vergoeding van kosten of voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn en niet op grond van een andere wettelijke regeling worden vergoed of verstrekt en vrijwel uitsluitend zijn geïndiceerd voor de werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend kunnen worden gebruikt voor of in de werksituatie.

3. Bij de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt bij de beoordeling en berekening van de kosten en de verstrekking van een voorziening uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening.”

4.1. Gelet op artikel 22 van de Wet REA is, in geval van een aanvraag om een werkvoorziening voor een zelfstandige, in de eerste plaats van belang of de gevraagde voorziening strekt tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, en meer in het bijzonder of de gevraagde voorziening noodzakelijk is voor de uitoefening van de werkzaamheden op grond waarvan de arbeidsgehandicapte verzekerd is voor de WAZ. Eerst als aan deze voorwaarde is voldaan, is er voor Uwv een bevoegdheid tot het verstrekken van voorzieningen.

“Uit de rapportages van 27 augustus 2002 en 1 april 2003 van respectievelijk de verzekeringsarts A.J. Mackor en de arbeidsdeskundige E.H. Brinkert blijkt dat appellant blijvend verminderde mogelijkheden heeft ten aanzien van het gebruik van zijn rug en dat de belasting van het melken niet in overeenstemming is met zijn belastbaarheid. Niettemin acht het Uwv in het onderhavige geval de verstrekking van de melkrobot niet noodzakelijk, omdat het binnen de organisatie van het bedrijf van appellant en zijn echtgenote door taakverdeling mogelijk is - bij een algemeen gebruikelijke bedrijfsuitrusting - het melken grotendeels aan de echtgenote van appellant en de STAP-medewerker over te laten.

Naar het oordeel van de Raad is het uitgangspunt dat bij het beoordelen van de noodzaak van een werkvoorziening tevens in aanmerking wordt genomen de mogelijkheid om binnen een bedrijf de werkzaamheden anders te organiseren niet onjuist. Met betrekking tot de toepassing van dit uitgangspunt in het voorliggende geval overweegt de Raad het volgende.”

4.2. Het Uwv heeft uit de wijze waarop de echtgenote van appellant en de STAP-medewerker reeds enige jaren een belangrijk deel van het melken voor hun rekening hebben genomen geconcludeerd dat een melkrobot niet noodzakelijk is. Appellant heeft echter - door het Uwv onweersproken – gesteld dat het Uww ten aanzien van de inzet van de STAP-medewerker onjuiste feitelijke uitgangspunten aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Vanuit dit perspectief acht de Raad van belang dat arbeidsdeskundige E.H. Brinkert in zijn rapport van 1 april 2003 heeft aangegeven dat het werk niet verder overdraagbaar is aan de echtgenote van appellant omdat zij “aan haar max” zit. Appellant heeft in dit verband gegevens van de huisarts overgelegd waaruit blijkt dat de echtgenote van appellant reeds geruime tijd door de huisarts wordt behandeld voor rugklachten. Daarbij heeft appellant - desgevraagd - ter zitting van de Raad verklaard dat de inzet van een STAP-medewerker juist door en sinds het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid noodzakelijk is gebleken.

4.3. In het licht van hetgeen appellant medisch onderbouwd heeft gesteld ten aanzien van de gezondheidstoestand van zijn vrouw, in relatie tot hetgeen door appellant - onweersproken - is gesteld ten aanzien van de beperkte mogelijkheden de STAP-medewerker buiten de reguliere arbeidstijden in te zetten, overtuigt de besluitvorming van het Uwv de Raad niet. Met name staat vooralsnog niet vast of de taakverdeling die het Uwv voor ogen staat op medische gronden redelijkerwijs van de echtgenote van appellante kan worden gevergd en of de overname van werkzaamheden door de STAP-medewerker (binnen diens arbeidsomvang) feitelijk realiseerbaar is.

4.4. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep gegrond is en dat het besluit van 19 maart 2004 - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt vernietigd.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat het besluit van 9 maart 2004 wordt vernietigd op grond van gebreken in de zorgvuldigheid en motivering ervan en dat Uwv een nader besluit zal dienen te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over de verzochte veroordeling tot schadevergoeding uit te spreken nu niet vaststaat hoe het nader besluit zal gaan luiden

4.6. De Raad ziet, gelet op het voorgaande, aanleiding om Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 maart 2004;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uwv;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 september 2007.

(get.) R.M. van Male.

(get.) S.R. Bagga.

RB