Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
05-4798 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4798 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 juni 2005, 04/3158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant, laatstelijk werkzaam als systeemarchitect automatisering bij een bank, is op 5 maart 2001 door een hartinfarct uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Naar aanleiding daarvan heeft appellant het Uwv op 22 oktober 2001 verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In het kader van deze aanvraag heeft de verzekeringsarts A.E.M.M. Cosemans op 10 december 2001 gerapporteerd en – mede op basis van bij de behandelend cardioloog ingewonnen informatie – aangegeven dat appellant inmiddels een pacemaker heeft en nog beperkt belastbaar is zowel lichamelijk als wat stress betreft. De arbeidsdeskundige A.C. Bos heeft in zijn rapport van 30 januari 2002 aangegeven dat de theoretische verdiencapaciteit van appellant nog niet is vastgesteld, dat appellant zijn werkzaamheden een aantal uren per week heeft hervat maar dat aan de verrichte werkzaamheden nog geen loonwaarde kan worden toegekend.

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft het Uww appellant per 4 maart 2002 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WAO naar een mate arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Nadien heeft het Uwv op basis van de geleidelijke hervatting van appellant in zijn eigen werkzaamheden het arbeidsongeschiktheidspercentage verschillende malen gewijzigd vastgesteld, laatstelijk bij besluit van 16 september 2002 op een percentage van 25-35%.

In het kader van de eerstejaars herbeoordeling is appellant op 29 oktober 2003 onderzocht door de verzekeringsarts Cosemans. In zijn rapport van 31 oktober 2003 heeft deze geconcludeerd dat appellant cardiaal gezien in staat moet worden geacht tot lichamelijk niet zware arbeid zonder extreme stress, waarbij vooralsnog een urenbeperking van 5 a 6 uur per dag kan worden aangehouden. Cosemans heeft de beperkingen van appellant opgenomen in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 31 oktober 2003.

De arbeidsdeskundige A.M.P. Franscoise heeft in haar rapport van 7 januari 2004 een aantal functies geselecteerd die appellant met zijn beperkingen moet worden geacht te kunnen vervullen en aan de hand daarvan het verlies aan verdienvermogen berekend op ruim 79,7%. Zij heeft aangegeven dat appellant tot zijn ontslag heeft gewerkt en derhalve blijft ingedeeld in WAO-klasse 25-35%.

Bij besluit van 24 februari 2004 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vastgesteld op 25-35%.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 februari 2004.

Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel in zijn rapportage van 8 oktober 2004 de belastbaarheid van appellant opnieuw in kaart gebracht. Bockwinkel heeft opnieuw informatie ingewonnen bij de behandelend cardioloog en voorts bij de behandelend fysiotherapeut en is, anders dan de primaire verzekeringsarts, tot de conclusie gekomen dat appellant zonder restrictie om kan gaan met conflicten en dat hij minder frequent voorover kan buigen en minder lang kan lopen dan aangenomen. Bockwinkel heeft aangegeven zich overigens met de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid te kunnen verenigen. Ten slotte heeft Bockwinkel aangegeven dat de door hem in de FML aangebrachte wijzigingen geen enkele invloed hebben op de geschiktheid van de geduide functies.

De bezwaararbeidsdeskundige C.W.M. Limbeek heeft in zijn rapportage van 8 november 2004 aangegeven dat - vanwege een arbeidsconflict - de arbeidsovereenkomst van appellant met ingang van 1 december 2003 door de rechter is ontbonden, zodat de primaire arbeidsdeskundige ten onrechte is uitgegaan van een schatting op praktische gronden. Naar aanleiding van de bezwaren van appellant en de door de bezwaarverzekeringsarts doorgevoerde wijzigingen in de FML heeft Limbeek de door de primaire arbeidsdeskundige geduide functies medewerker bank, kassier bank (sbc-code 516070), telefonist, receptionist, typist (sbc-code: 315120) en telefonist, centralist (sbc-code 315170) opnieuw beoordeeld en voor appellant geschikt geacht.

Bij besluit van 16 november 2004 heeft het Uww het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 februari 2004 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 15 januari 2004 vastgesteld op 65-80%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 16 november 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant - onder verwijzing naar zijn moeizame reïntegratie - aangegeven dat de door het Uwv gehanteerde urenbeperking onvoldoende is. Voorts heeft appellant aangegeven dat het Uwv voor de ingangsdatum van de verhoging van zijn uitkering ten onrechte

15 januari 2004 in plaats van 7 juli 2003, de datum waarop hij zich toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld, is aangehouden. Ten slotte heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv het maatmanloon onjuist heeft vastgesteld door uit te gaan van een te lage werkgeversbijdrage in de pensioenkosten en door geen rekening te houden met de uitkering “Regeling Medewerker Waardeplan” die hij van zijn werkgever ontving. De door de arbeidsdeskundige A.C. Bos op 30 januari 2002 bij de berekening van het maatmanloon meegenomen werkgeversbijdrage in de pensioenpremie – in 2001 ƒ 474,-- – is niet representatief voor zijn verdienvermogen omdat deze bijdrage in 2001 door de positieve beleggingsresultaten van het pensioenfonds ongebruikelijk laag was. In 1998 was deze bijdrage ƒ 10.500,--, in 1999

ƒ 5.200,-- in 2002 € 14.522,-- en in 2003 € 14.726,--.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad ziet geen aanleiding om met betrekking tot de vastgestelde belastbaarheid van appellant tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zijn gezondheidstoestand door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts onjuist is beoordeeld. Naar aanleiding van het verhandelde op de hoorzitting van 10 augustus 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts nadere informatie ingewonnen bij de behandelend cardioloog en fysiotherapeut. De cardioloog B.J.B. Hamer heeft medegedeeld dat bij appellant sprake is van een status na infarct met een geringe conditionele achteruitgang, zonder tekenen van decompensatio cordis. De fysiotherapeut R. de Jong heeft medegedeeld dat appellant aan het einde van het gebruikelijke revalidatie-groepsprogramma behoorlijk belastbaar was en bij de afsluitende fietsergometrietest tot 98% van de streefbelasting kwam. De Raad is mede op grond hiervan van oordeel dat appellant met de urenbeperking van 25 uren per week niet tekort is gedaan.

De grief van appellant ten aanzien van de ingangsdatum van de uitkomst van de eerstejaars herbeoordeling slaagt niet. De Raad ziet geen feitelijk aanknopingspunt voor de stelling van appellant dat hij zich vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid op 7 juli 2003 bij het Uwv heeft gemeld. Uit de gedingstukken blijkt slechts dat appellant zich op die datum bij zijn werkgever heeft ziek gemeld en dat hij zich een week later bij zijn werkgever weer hersteld heeft gemeld. Dat de beweegredenen van die meldingen zijn gelegen in de arbeidsrechtelijke sfeer heeft voor de datum die thans in geding is en die het Uwv heeft gehanteerd ter zake van de herziening geen betekenis.

De Raad verwerpt ook de door appellant met betrekking tot de vaststelling van het maatmanloon opgeworpen grieven. Ten aanzien van de werkgeversbijdrage aan de pensioenpremie wijst de Raad erop dat het maatmaninkomen wordt bepaald aan de hand van de inkomsten die betrokkene met die laatstelijk uitgeoefende functie feitelijk heeft verdiend. De arbeidsdeskundige Bos heeft in overeenstemming hiermee de werkgeversbijdrage in de pensioenpremie over 2001 bij de vaststelling van het maatmanloon betrokken. Ook aan hetgeen appellant heeft aangevoerd over de inkomsten uit de “Regeling Medewerker Waardeplan” kan niet de door hem gewenste betekenis voor de vaststelling van het maatmanloon worden toegekend. De specificatie die door appellant ter zake is overgelegd betreft een uitkering over 2002 en derhalve een jaar dat niet in de beoordeling van het maatmanloon is betrokken en de door appellant overgelegde CAO-bepalingen waarin deze beloningscomponent is opgenomen betreffen 2003 en 2004.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 september 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.