Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
05-1246 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/1246 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 januari 2005, 04/898 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 maart 2007 heeft appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot R. van Ginkel. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is in mei 1998 wegens elleboogklachten uitgevallen voor haar in een voltijdse omvang verrichte werkzaamheden als assistent-restaurantmanager. Naderhand zijn er ook klachten van psychische aard bijgekomen. Met ingang van 19 mei 1999 is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Uit een rapport van de verzekeringsarts (in opleiding) E. van den Wittenboer van 3 april 2001 komt naar voren dat de elleboogklachten van appellante inmiddels zijn geduid als berustend op RSI. Voorts is aangegeven dat deze RSI-klachten ook ten dele kunnen worden verklaard uit de psychische problematiek van appellante. Naar het oordeel van Van den Wittenboer heeft appellante een begeleidings- en/of trainingstraject nodig om weer te komen tot deelname aan het arbeidsproces.

In het kader hiervan heeft op verzoek van het Uwv een onderzoek plaatsgevonden door het multidisciplinair onderzoekscentrum De Gezonde Zaak. Appellante is daar onder meer onderzocht door de orthopedisch chirurg H.T.F. van de Weijer, die daarbij op zijn vakgebied, behoudens een pijnlijke beweeglijkheid van de linkerelleboog met functievermindering, geen circumscripte afwijkingen heeft kunnen vaststellen. Ook het neurologisch onderzoek liet een normaal beeld zien. Voorts heeft een psychologisch onderzoek plaatsgevonden door de psycholoog/MDP coördinator S.van Dijk. Conclusie daarbij was dat appellante sterk beperkt is geraakt door haar klachten. Ze is in een vicieuze cirkel terechtgekomen, omdat ze het moeilijk vond om met werkdruk om te gaan. Geadviseerd tot het volgen door appellante van een intensief multidisciplinair trainingsprogramma.

Appellante heeft hierop een tweetal reïntegratietrajecten gevolgd bij de reïntegratie-instelling Kuijper & van Dreumel. In een vervolgrapport van 23 januari 2003 - waaruit onder meer naar voren komt dat appellante in het bijzonder nog beperkingen ondervindt van haar psychische problematiek - heeft Van den Wittenboer geconcludeerd dat, teneinde de belastbaarheid van appellante beter in beeld te brengen, een expertise zal worden gevraagd bij het psychologen bureau Vermeulen en van Limpt.

De aan genoemd bureau verbonden psycholoog I.L. Verheijden heeft appellante op 24 maart 2003 onderzocht en is daarbij tot de conclusie gekomen dat een dysthyme stoornis op dat moment de voornaamste beperking lijkt te vormen voor appellante tot het verrichten van arbeid. Door deze beperkingen, bestaande uit vermoeidheid, slechte concentratie, vergeetachtigheid en somberheid, kan appellante niet lange tijd achter elkaar werken.

Van den Wittenboer heeft daarop een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) ingevuld, waarin beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van onder meer tijdsdruk, hectiek, complexe taken en een meer dan gemiddelde verantwoordelijkheid. Voorts is in verband met de stemmingsproblematiek een urenbeperking tot circa 20 uur per week aangenomen.

Nadat de arbeidsdeskundige een aantal functies had geselecteerd die appellante zijns inziens, uitgaande van de opgestelde FML nog zou moeten kunnen vervullen, is bij besluit van 13 augustus 2003 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 12 oktober 2003 herzien naar de door de arbeidsdeskundige berekende klasse 55 tot 65%.

In bezwaar tegen dat besluit heeft appellante aangevoerd zich als gevolg van haar psychische problematiek nog volledig buiten staat te achten tot het verrichten van loonvormende arbeid.

De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gevonden om af te wijken van het primaire medische oordeel.

Bij besluit van 23 februari 2004, hierna het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts met de vereiste zorgvuldigheid onderzoek hebben verricht en dat aannemelijk is dat zij op basis van de juiste gegevens de gezondheidstoestand van appellante hebben beoordeeld.

Gelet op alle beschikbare medische gegevens is de rechtbank niet kunnen blijken dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag berust.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat op basis van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapportages niet (volledig) duidelijk is waarom en op welke grond de in aanmerking genomen functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellante, maar dat in de loop van de procedure in beroep met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband van 23 december 2004 het bestreden besluit alsnog is voorzien van de ontbrekende toelichting en onderbouwing.

De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar tevens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb geheel in stand te laten.

Appellante heeft haar grieven in hoger beroep gehandhaafd. Staande is gehouden dat onvoldoende is rekening gehouden met haar medische situatie.

Voorts is erop gewezen dat voor appellante niet duidelijk is geweest dat het laatste spreekuurcontact met de verzekeringsarts Van den Wittenboer - naast advies aan het CWI in verband met een ontslagaanvraag - mede in het teken stond van herbeoordeling in het kader van de WAO.

Daarnaast is naar voren gebracht dat een aanvaring is ontstaan tussen genoemde arts en de echtgenoot van appellante en dat er vervolgens ook problemen zijn gerezen met betrekking tot de oproep voor onderzoek door de arbeidsdeskundige. Appellante trekt in verband hiermee in twijfel of zij van genoemde functionarissen wel een objectieve beoordeling heeft gekregen.

Tenslotte is aangevoerd dat de beoordelend primaire arts Van den Wittenboer een verzekeringsarts in opleiding is, althans ten tijde hier in geding was, en dat zij daarom haar rapport had moeten laten mede ondertekenen door een geregistreerd verzekeringsarts, hetgeen ten onrechte niet is gebeurd. De bezwaarverzekeringsarts heeft volgens appellante dit verzuim niet opgeheven, daar die arts appellante niet zelf heeft onderzocht, maar appellante slechts tijdens de hoorzitting heeft gezien.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het hoger beroep van appellante uitsluitend is gericht tegen het in stand laten door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit.

De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot de grief dat het primaire medische onderzoek heeft plaatsgevonden door een niet geregistreerd verzekeringsarts en derhalve onzorgvuldig en gebrekkig is te achten, verwijst de Raad naar zijn uitspraken over dit onderwerp van 18 juli 2007, LJN: BA9904, 9905, 9908, 9909 en 9910. In die uitspraken is tot uitdrukking gebracht dat weliswaar sprake is van een aan een arbeidsongeschiktheidbeoordeling klevend gebrek in de primaire fase indien het medische onderzoek in die fase is verricht door een verzekeringsarts in opleiding, maar tevens dat een dergelijk gebrek in de bezwaarfase kan worden hersteld.

De Raad is van oordeel dat dit laatste zich hier voordoet en dat het gesignaleerde gebrek geacht kan worden te zijn hersteld met het onderzoek dat door de bezwaarverzekeringsarts C.J. van der Valk is ingesteld. Blijkens haar rapport van

18 februari 2004 heeft genoemde bezwaarverzekeringsarts uitvoerig de dossiergegevens bestudeerd en heeft zij daarnaast appellante op de hoorzitting gezien. Ter hoorzitting heeft appellante onder meer haar klachten van psychische aard nog eens voor het voetlicht gebracht. De bezwaarverzekeringsarts heeft uitgebreid verslag gedaan van de door haar ter zake van die klachten ter hoorzitting gedane observaties. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts het onderzoek in de primaire fase als inhoudelijk zeer zorgvuldig gekenschetst, waartoe zij erop heeft gewezen dat de primaire arts de uitkomsten van het eerder ingestelde multidisciplinaire onderzoek door De Gezonde Zaak bij haar beoordeling heeft betrokken alsmede de op verzoek van die arts door de psycholoog drs. I.L. Verheijden nog verrichte expertise. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat en waarom er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. Bedoelde grief faalt derhalve.

Ook overigens heeft de Raad geen aanleiding om de totstandkoming van het medische oordeel niet zorgvuldig te achten. In het bijzonder is de Raad niet gebleken van enig aanknopingspunt om, als een en andermaal namens appellante gesteld, de verzekeringsarts(en) vooringenomen of bevooroordeeld te achten. De plaatsgevonden hebbende aanvaring tussen de primaire arts en de echtgenoot van appellante maakt dit niet anders.

Voorts wil de Raad, in reactie op hetgeen dienaangaande van de zijde van appellante is aangevoerd, niet nalaten op te merken dat blijkens de beschikbare gegevens het primaire medische onderzoek van meet af aan wel degelijk mede is ingesteld met het oog een herbeoordeling van de verdere aanspraken van appellante op WAO-uitkering, geheel daargelaten overigens of, zou zulks anders zou zijn, dat gevolgen zou hebben voor de onderhavige beoordeling.

Ten slotte verenigt de Raad zich ook ten materiële met de medische grondslag van het bestreden besluit. Aan de Raad is niet kunnen blijken van objectief-medische medische gegevens die steun verlenen aan de opvatting van appellante dat met de in aanmerking genomen beperkingen, waaronder een urenbeperking tot 20 uur per week, nog onvoldoende recht is gedaan aan haar medische situatie ten tijde hier van belang en de daaruit voor haar voortvloeiende arbeidsbeperkingen.

De arbeidskundige grondslag van de schatting ontmoet evenmin bezwaren in rechte. Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de grief inzake het niet gebleken zijn van enige vooringenomenheid bij de verzekeringsartsen, geldt in gelijke mate ten aanzien van de arbeidsdeskundige.

De Raad acht voorts met de rechtbank de uiteindelijk door de bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband in diens rapport van 23 december 2004 inzake de passendheid van de gebruikte functies verstrekte nadere toelichting voldoende en overtuigend.

De Raad komt tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit terecht door de rechtbank in stand zijn gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 september 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

MK