Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
05-3035+05-3036+07-2259 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum herziening WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3035 en 05/3036 en 07/2259 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 april 2005, 03/1731 en 03/6091 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.J. Isaak, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. A.H. Knigge, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Zwolle heeft medegedeeld dat [Betrokkene] (hierna: betrokkene) als partij aan de procedure wil deelnemen en heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Bij brief van 30 maart 2007 heeft het Uwv de Raad een nieuw besluit op bezwaar van dezelfde datum doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2007. Appellante en betrokkene zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en appellante in de gelegenheid gesteld te reageren op het besluit van 30 maart 2007. Appellante heeft bij brief van 29 mei 2007 gereageerd. Hierop is door betrokkene bij brief van 25 juni 2007 gereageerd. Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het doen van een uitspraak zonder nadere zitting heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene was werkzaam als commercieel manager in dienst van appellante toen hij op 28 maart 2001 uitviel met psychische en lichamelijke klachten. Het dienstverband is van rechtswege geëindigd met ingang van 1 september 2001. Bij besluit van 12 februari 2002 heeft het Uwv betrokkene met ingang van 27 maart 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 december 2002 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van

1 februari 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

In het kader van de eerstejaars herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 18 maart 2003 de WAO-uitkering van betrokkene ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellante en betrokkene hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 november 2003 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op juiste gronden heeft besloten dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van 27 maart 2002 65 tot 80% was en dat de mate van arbeidsongeschiktheid ten tijde van de eerstejaars herbeoordeling niet was gewijzigd. De rechtbank was echter van oordeel dat in verband met artikel 36b van de WAO de verlaging van de uitkering naar 65 tot 80% had moeten ingaan op 25 januari 2003, zodat het toekennen van een volledige WAO-uitkering in de periode van 25 januari 2003 tot 1 februari 2003 een deugdelijke wettelijke grondslag ontbeerde. Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten.

In hoger beroep heeft appellante, onder herhaling van de gronden in bezwaar en beroep, bestreden dat betrokkene op 27 maart 2002 en ten tijde van de eerstejaarsherbeoordeling 65 tot 80% arbeidsongeschikt was. Appellante acht onaannemelijk dat de stressklachten van betrokkene op 27 maart 2002 nog steeds zodanig waren dat hij zijn functie niet kon uitoefenen. Bij een juist gebruik van medicatie moet betrokkene in staat worden geacht zijn functie te kunnen uitoefenen ondanks het bestaan van ouderdomsdiabetes. Voorts acht appellante niet duidelijk op welke wijze het Uwv betrokkene heeft begeleid op weg naar re-integratie. Appellante acht zich door toekenning van een WAO-uitkering aan betrokkene onredelijk benadeeld en stelt dat zij lasten die dit voor haar meebrengt in de vorm van een hogere WAO-premie niet kan dragen. Ten slotte ziet appellante niet in waarom de verlaging van de WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% niet ingaat op 27 maart 2002, nu dat de relevante datum is.

Hangende de procedure in hoger beroep heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak voormeld besluit van 30 maart 2007 genomen. Hierin is bestreden besluit 1 in die zin gewijzigd dat de herziening van de uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% ingaat op 25 januari 2003. De Raad stelt vast dat hiermee niet geheel aan het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 tegemoet wordt gekomen, zodat ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 maart 2007 (hierna: bestreden besluit 3). De Raad stelt tevens vast dat het Uwv, gelet op bestreden besluit 3, bestreden besluit 1 niet langer handhaaft. Appellante heeft dan ook – bij gebreke van bijvoorbeeld een verzoek om schadevergoeding – geen in rechte te honoreren belang meer bij een beoordeling van de uitspraak die op laatstgenoemd besluit betrekking heeft en zal dan ook in zoverre in haar hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden.

De Raad kan de medische onderbouwing van de bestreden besluiten 2 en 3 geheel onderschrijven. Ook de Raad is van oordeel dat de medische situatie van betrokkene door het Uwv zorgvuldig is onderzocht en dat de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 8 oktober 2002 en 20 augustus 2003 voldoende steun bieden voor de vaststelling van het Uwv dat betrokkene bij het einde van de wachttijd, 27 maart 2002, beperkingen had bij het verrichten van arbeid en dat zijn belastbaarheid op 18 maart 2003 niet significant was gewijzigd. Hetgeen door appellante is aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding tot twijfel dienaangaande. De Raad merkt hierbij nog op dat de medische bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts geheel in lijn zijn met de door de huisarts van betrokkene verstrekte informatie. De vraag welke re-integratieactiviteiten het Uwv heeft verricht en of deze voldoende waren, speelt blijkens vaste jurisprudentie van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 maart 2000, LJN: AE8585) voorts geen rol bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Evenmin spelen, gelet op het dwingend bepaalde in artikel 18 van de WAO en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, de eventuele financiële gevolgen voor een (voormalig) werkgever een rol bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Met betrekking tot de grief van appellante inzake de ingangsdatum van de herziening van de uitkering overweegt de Raad dat op grond van artikel 36b, eerste lid, van de WAO, voor zover hier van belang, de verlaging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering die voortvloeit uit het door de werkgever ingestelde bezwaar, niet eerder plaats vindt dan zes weken na de dag waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt. Nu bestreden besluit 1 is verzonden op 13 december 2002 kon de herziening, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet eerder ingaan dan op 25 januari 2003.

De aangevallen uitspraak komt derhalve in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

Het beroep, voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 3, is ongegrond.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op het oordeel van de rechtbank aangaande bestreden besluit 1;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit 3 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 september 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Gunter.

MK