Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4216

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
06-4201 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WW-uitkering. Terugvordering. Werknemersfraude. Omvang verzwegen werkzaamheden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4201 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 juli 2006, 05/129 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 september 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2007, gevoegd met de zaken bij de Raad bekend onder de nummers 05/7048 WW, 05/7049 WW, 05/7050 WW, 05/7051 WW, 05/7052 WW, 05/7053 WW, 05/7136 WW, 07/1764 WW, 06/4945 WW en 06/4645 WW. Namens appellant is verschenen mr. R.G. Riemersma, advocaat te Leeuwarden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius en mr. F.H.M.A. Swarts, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen. Ter afdoening zijn de zaken vervolgens gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de Ziektewet (ZW), alsmede, voorzover van toepassing, de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Bij besluit van 17 juli 2000 is namens de rechtsvoorganger van het Uwv aan appellant met ingang van 7 juni 2000 een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidsurenverlies van 40 uur. De duur van de loongerelateerde uitkering zou twee jaar en zes maanden bedragen en die van de vervolguitkering twee jaar. Appellant is van 8 januari 2001 tot 8 januari 2003 werkzaam geweest in dienst van [naam werkgever] (hierna: de werkgever), van welke vennootschap [W.] directeur en grootaandeelhouder is. In deze periode heeft appellant gedurende een aantal weken geen WW-uitkering ontvangen en over de resterende weken een gedeeltelijke WW-uitkering, dit op basis van zijn opgave van gewerkte uren op de werkbriefjes. Voorts heeft appellant in de periode van 25 juli 2002 tot en met 20 augustus 2002 een ZW-uitkering ontvangen. Bij besluit van 14 februari 2003 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 8 januari 2003 een nieuw recht op WW-uitkering toegekend op basis van 23,5 arbeidsuren met een uitkeringsduur van drie jaar en tevens bepaald dat de eerder toegekende WW-uitkering per die datum wordt gecontinueerd op basis van 16,5 arbeidsuren en eindigt op 28 juni 2003. Aan appellant is WW-uitkering verstrekt tot en met 8 augustus 2004.

2.2. Naar aanleiding van een melding dat mogelijk sprake is geweest van uitkeringsfraude bij een aantal werknemers van [W.] heeft het Uwv een grootschalig onderzoek doen instellen door een opsporingsfunctionaris, werkzaam bij het directoraat Fraude, Preventie en Opsporing, in welk verband onder andere [W.] en een aantal werknemers, waaronder appellant, zijn gehoord en waarbij de administratie van het bedrijf in beslag is genomen. In het van dat onderzoek opgemaakte verslag komt naar voren dat gedurende langere tijd sprake was van structureel misbruik van de WW door de werknemers van het visfileerbedrijf. Gesteld is dat op initiatief van [W.] verschillende contracten voor onbepaalde tijd zijn omgezet in (al dan niet) tijdelijke contracten (op oproepbasis). Deze omzetting had tot doel een WW-uitkering te verkrijgen. Daarnaast zou zijn gebleken dat de werkbriefjes (slechts voorzien van een dagtekening en handtekening) door de werknemers bij [W.] zijn ingeleverd, die deze vervolgens voor de werknemers invulde. De wijze van invulling was echter niet overeenkomstig de waarheid. [W.] vulde de werkbriefjes zodanig in dat de rechten op een WW-uitkering waren gewaarborgd. De werknemers zagen de werkbriefjes na invulling door [W.] niet meer terug. Verlof- en ziektedagen werden afgewenteld op de WW en de werknemers hebben deels loon en deels WW-uitkering ontvangen terwijl zij volledig hadden gewerkt. Ook werd stelselmatig bij drie volledig gewerkte weken een gewerkte dag als een niet gewerkte dag op de werkbriefjes vermeld teneinde te voorkomen dat het WW-recht zou vervallen en hij de betreffende werknemer in vaste dienst zou moeten nemen. Op deze wijze zorgde [W.] ervoor dat het loon dat hij zijn werknemers uitbetaalde, plus de WW-uitkering, ten minste gelijk was aan het loon dat normaliter uitbetaald zou moeten worden. Hierdoor werd een deel van het loon dat [W.] zou moeten betalen afgewenteld op de WW. De hiervoor geschetste gang van zaken blijkt in het bijzonder uit de ten aanzien van verschillende werknemers opgestelde rapporten werknemersfraude en uit de verklaringen in de zogenaamde “bundel [W.]” (onder andere van de medewerkers [G.], [L.], [T.] en [H.]).

2.3. In het naar aanleiding van het onderzoek opgestelde rapport werknemersfraude van 21 juni 2004 is ten aanzien van appellant de conclusie getrokken dat appellant in de periode van 8 januari 2001 tot en met 20 juni 2004 werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten, zonder daarvan volledig of op juiste wijze daarvan aan het Uwv melding te maken op de door hem ingeleverde werkbriefjes. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 20 augustus 2004 de aan appellant toegekende WW-uitkering met ingang van 8 januari 2001 ingetrokken. Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft het Uwv de aan appellant toegekende ZW-uitkering met ingang van 25 juli 2002 ingetrokken. Bij besluit van 20 augustus 2004 heeft het Uwv de aan appellant over de periode van 8 januari 2001 tot en met 8 augustus 2004 onverschuldigd betaalde WW-uitkering ten bedrage van € 36.173,11 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 20 augustus 2004 heeft het Uwv de aan appellant onverschuldigd betaalde ZW-uitkering over de periode van 25 juli 2002 tot en met 20 augustus 2002 ten bedrage van € 675,45 van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen deze vier besluiten bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 23 december 2004 zijn de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is -samengevat- overwogen dat appellant primair per 8 januari 2001 verwijtbaar werkloos wordt geacht en subsidiair dat appellant vanaf 8 januari 2001 werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten zonder daarvan volledig melding te maken, waardoor het recht op WW-uitkering vanaf die datum niet kan worden vastgesteld. Het recht op ZW-uitkering wordt ingetrokken primair op de grond dat appellant niet als werkloze werknemer in de zin van de ZW kan worden beschouwd. Voorts heeft het Uwv in de door appellant aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen gezien om af te zien van terugvordering van de aan hem onverschuldigd betaalde WW-uitkering en ZW-uitkering.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat appellant niet per 8 januari 2001 verwijtbaar werkloos is geworden, zoals het Uwv heeft aangenomen, maar wel per 8 januari 2003. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat voldoende aannemelijk is dat appellant per 8 januari 2001 bij [W.] in vaste dienst is gekomen en dat eind 2002 twee arbeidscontracten voor bepaalde tijd zijn opgesteld teneinde een WW-uitkering te verkrijgen. De rechtbank is niet gebleken van bezwaren van appellant om de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voort te zetten en [W.] hieraan te houden. Ten aanzien van de periode van 8 januari 2001 tot 8 januari 2003 heeft de rechtbank het subsidiaire standpunt van het Uwv onderschreven dat als gevolg van het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 25 van de WW niet kan worden vastgesteld of appellant over deze periode nog recht had op een WW-uitkering. Op basis van de verklaringen van [W.] en van appellant, in onderling verband bezien, heeft de rechtbank voldoende aannemelijk geacht dat [W.] de werkbriefjes van appellant heeft ingevuld. Voorts is de rechtbank, gezien de verklaringen van [W.] omtrent de betrouwbaarheid van zijn (loon)administratie in samenhang bezien met het de regie houden over het invullen van de werkbriefjes in verband met te generen WW-rechten, genoegzaam gebleken dat de werkbriefjes op het punt van de gewerkte uren structureel onjuist zijn ingevuld. De rechtbank heeft appellant verantwoordelijk gehouden voor deze gang van zaken nu hij zijn handtekening onder de werkbriefjes heeft geplaatst.

4. In hoger beroep heeft appellant betwist dat bij aanvang van de dienstbetrekking bij [W.] in 2001 een schriftelijk arbeidscontract is opgesteld. Volgens appellant is mondeling overeengekomen dat hij op oproepbasis zou gaan werken en werd hij ook alleen opgeroepen als er vis te verwerken was, zoals gebruikelijk is in de “visfileerwereld”. Appellant houdt het voor mogelijk dat in december 2002 de schriftelijke arbeidsovereenkomsten door [W.] zijn opgesteld en ook door appellant zijn ondertekend, maar dat is uitsluitend gebeurd om de immigratiedienst om de tuin te leiden met het oogmerk een familielid van appellant aan een verblijfsvergunning te helpen. Voorts wijst appellant erop dat het in januari 2003 bedrijfseconomisch erg slecht ging met het bedrijf en dat in die tijd veel werknemers werden ontslagen, zodat niet zonder meer kan worden aangenomen dat een protest van appellant tegen zijn ontslag zin zou hebben gehad. Appellant is derhalve van oordeel dat de blijvend gehele weigering van WW-uitkering met ingang van 8 januari 2003 op grond van verwijtbare werkloosheid niet juist is. Ten aanzien van de intrekking van de WW-uitkering met ingang van

8 januari 2001, stelt appellant zich op het standpunt dat bij vergelijking van de werkbriefjes over 2002 met de productiestaten blijkt dat slechts enkele werkbriefjes foutief zijn ingevuld en dat in dat jaar over niet meer dan 48 uren ten onrechte

WW-uitkering is verstrekt. Appellant is van mening dat een dergelijke controle ook kan plaatsvinden als de productiestaten over 2001 alsnog worden gevonden.

5. De Raad, beslissend op hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt.

5.1. Uit de voorhanden gegevens, met name uit het bij het onder 2.3. genoemde rapport werknemersfraude gevoegde procesverbaal van het verhoor van appellant op 17 mei 2004, blijkt dat appellant ten overstaan van de opsporingsfunctionaris heeft verklaard dat hij eind 2002 regelmatig bij [W.] op kantoor moest komen en dat hij op aanwijzing van [W.] opnieuw contracten moest tekenen omdat het niet goed ging met het bedrijf. Bij die gelegenheid heeft appellant verklaard dat hij voor 100% zeker weet dat hij in december 2002 in opdracht van [W.] twee losse contracten heeft getekend. Tot de gedingstukken behoren twee arbeidscontracten voor bepaalde tijd, een contract voor de periode van 8 januari 2001 tot 8 januari 2002 met als datum van ondertekening 10 januari 2001 en een contract voor de periode van 8 januari 2002 tot 8 januari 2003 met als datum van ondertekening 8 januari 2002. Voorts behoren tot de gedingstukken twee, behoudens het salaris, gelijkluidende arbeidscontracten voor onbepaalde tijd, beide met als datum van ondertekening 9 januari 2001. Gelet op de verklaring van appellant tegenover de opsporingsfunctionaris, bezien in samenhang met de overige bevindingen van het fraudeonderzoek met betrekking tot het omzetten door [W.] van contracten voor onbepaalde tijd in tijdelijke contracten met het doel om een WW-uitkering te verkrijgen, staat voor de Raad vast dat appellant in december 2002 de twee losse contracten heeft ondertekend, waardoor zijn dienstverband op 8 januari 2003 is geëindigd. Appellant is in feite met [W.] een beëindigingsovereenkomst aangegaan, hetgeen appellant vanuit het oogpunt van toepassing van de WW kan worden aangerekend. De Raad kan het standpunt van appellant dat protest tegen het ontslag zinloos was en hij, gelet op de slechte financiële situatie van het bedrijf, in januari 2003 toch zou zijn ontslagen, niet onderschrijven. Bij brief van 20 januari 2003 heeft de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen de werkgever geïnformeerd dat hem gelet op het anciënniteitsbeginsel toestemming wordt onthouden de arbeidsovereenkomst met appellant op te zeggen. Gelet op deze beslissing kan geenszins worden volgehouden dat een protest van appellant tegen een voorgenomen ontslag geen kans van slagen zou hebben gehad.

Appellant heeft zich derhalve, door in te stemmen met de beëindiging van de dienstbetrekking per 8 januari 2003, niet gehouden aan de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. De Raad is niet gebleken dat het niet nakomen van deze verplichting appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. Derhalve heeft het Uwv de WW-uitkering op goede gronden met ingang van 8 januari 2003 blijvend geheel geweigerd. Ingevolge artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW trekt het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van uitkering. De Raad is van oordeel dat het Uwv met het besluit tot intrekking van de WW-uitkering vanaf 8 januari 2003 niet in strijd heeft gehandeld met enig algemeen rechtsbeginsel of enige regel van ongeschreven recht, waaronder in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel. In dat verband wijst de Raad erop dat appellant en de werkgever het Uwv onjuist hebben geïnformeerd door het inzenden van de arbeidscontracten voor bepaalde tijd waaruit zou volgen dat de arbeidsverhouding tussen deze partijen van rechtswege op 8 januari 2003 eindigt.

5.2. Appellant heeft tijdens zijn verhoor op 17 mei 2004 verklaard dat hij niet zelf de gewerkte uren heeft bijgehouden en dat [W.] op de werkbriefjes de gewerkte uren heeft ingevuld. Tijdens zijn verhoor op 16 juni 2004 heeft [W.] bevestigd dat hij de gewerkte uren op de werkbriefjes van appellant heeft ingevuld. Voor de Raad staat genoegzaam vast dat de door appellant op zijn werkbriefjes verstrekte informatie met betrekking tot de gewerkte dagen en uren niet in overeenstemming is met de door appellant feitelijk gewerkte dagen en uren. In hoger beroep heeft appellant niet betwist dat de opgave van gewerkte uren op de werkbriefjes niet juist is, maar aangevoerd dat, althans voor het jaar 2002, aan de hand van de werkbriefjes en de in het bedrijf gebruikte productiestaten kan worden vastgesteld dat over niet meer dan 48 uren ten onrechte WW-uitkering is verstrekt. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant de op hem rustende verplichting als bedoeld in artikel 25 van de WW niet is nagekomen.

5.3. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv bevestigd dat aan de intrekking van het besluit van 17 juli 2000 tot toekenning van de WW-uitkering aan appellant, voor zover het betreft de periode 8 januari 2001 tot 8 januari 2003, artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW ten grondslag had moeten zijn gelegd. In dat verband wijst de Raad op het volgende.

Het Uwv heeft de uitkering van appellant over de relevante perioden geheel ingetrokken. Een gehoudenheid daartoe kan echter niet worden ontleend aan artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Ingevolge dat artikelonderdeel herziet het Uwv een besluit tot toekenning of trekt dat in indien schending van artikel 25 van WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Om aan dat artikelonderdeel toepassing te kunnen geven zal, naar het oordeel van de Raad, de omvang van de verzwegen werkzaamheden die leiden tot de conclusie dat in het geheel geen recht op uitkering is ontstaan dan wel dat dat uitkeringsrecht geheel of gedeeltelijk is geëindigd, moeten worden vastgesteld. Het Uwv heeft die omvang niet vastgesteld omdat het meende niet over voldoende informatie te beschikken. In dat verband merkt de Raad op dat volgens zijn vaste rechtspraak, indien achteraf de omvang van de in strijd met artikel 25 van de WW verzwegen werkzaamheden niet (meer) kan worden bepaald aan de hand van een deugdelijke administratie, het Uwv de omvang van die werkzaamheden mag schatten.

Nu een dergelijke vaststelling niet heeft plaatsgevonden en de uitkering over de betreffende perioden geheel is ingetrokken en volledig is teruggevorderd, kan het bestreden besluit in zoverre geen stand houden. Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit, waarbij de besluiten tot intrekking van de WW-uitkering van appellant per 8 januari 2001 alsmede tot terugvordering van de verstrekte WW-uitkering over de periode van 8 januari 2001 tot 8 januari 2003 zijn gehandhaafd, geen stand houden.

5.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.3 over de intrekking van de WW-uitkering van appellant over de periode van 8 januari 2001 tot 8 januari 2003, kan het besluit van het Uwv tot intrekking van de ZW-uitkering van appellant per 25 juli 2002, dat kennelijk volgens het Uwv dient te berusten op artikel 30a, eerste lid, onder a, van de ZW, dat een gelijke strekking heeft als artikel 22a, eerste lid, onder a, van de WW, evenmin stand houden nu dat besluit ervan uitgaat dat appellant niet verzekerd was ingevolge de ZW. Daaruit vloeit tevens voort dat de terugvordering van de aan appellant over de periode van 25 juli 2002 tot en met 20 augustus 2002 verstrekte ZW-uitkering ook niet in stand kan blijven.

5.5. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Dat houdt in dat het Uwv opnieuw op de bezwaren van appellant zal dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij zal het Uwv tevens aandacht dienen te besteden aan het verzoek van appellant om op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in aanmerking te komen voor vergoeding van de in de bezwaarschriftfase gemaakte proceskosten.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten voor rechtsbijstand worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, in totaal derhalve op een bedrag van € 1288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 23 december 2004;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opnieuw op het bezwaar van appellant beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW