Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4212

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
05-1999 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Arbeidskundige beoordeling onvoldoende gemotiveerd. Overschrijding redelijke termijn 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/1999 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 februari 2005, 04/3013 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gorkum. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is in 1974 vanuit Marokko naar Nederland gekomen. Hij heeft schoonmaakwerkzaamheden en werkzaamheden in de horeca verricht. Van 1993 tot in 1999 heeft hij een bijstandsuitkering ontvangen.

Per 1 oktober 1999 is appellant als productiemedewerker in dienst getreden bij [naam werkgever]. Appellant heeft zich per 16 november 2000 ziek gemeld. [naam werkgever] heeft het dienstverband met appellant per 16 november 2000 beëindigd.

Bij formulier gedateerd 14 juni 2001 heeft appellant een WAO-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 9 oktober 2001 heeft het Uwv geweigerd appellant per 16 oktober 2001 een WAO-uitkering toe te kennen. Appellant heeft tegen dit besluit bij brief van

5 november 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 juni 2002 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat het besluit van 9 oktober 2001 niet wordt gehandhaafd en dat nader onderzoek wordt ingesteld.

Bij besluit van 4 juli 2003 heeft het Uwv, opnieuw beslissend op het verzoek van appellant van 14 juni 2001, geweigerd appellant per 16 oktober 2001 een WAO-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft hiertoe overwogen dat appellant per 16 oktober 2001 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.

Bij besluit van 8 juni 2004 heeft het Uwv het door appellant tegen dat besluit van 4 juli 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 8 juni 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak, kort samengevat, tot het oordeel gekomen dat het Uwv de juiste medische beperkingen voor appellant heeft vastgesteld, dat hij met deze de beperkingen de hem voorgehouden functies kan vervullen en dat hij met deze functies een zodanig inkomen kan verdienen dat in vergelijking met het maatmanloon geen sprake is van verlies aan verdiencapaciteit.

De rechtbank is voorts tot het oordeel gekomen dat sprake is van overschrijding van de termijn waarbinnen door het Uwv beslist had dienen te worden, maar dat hieraan geen gevolgen worden verbonden omdat deze overschrijding mede kan worden toegerekend aan appellant.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de totale termijn gelegen tussen 5 november 2001 - de dag waarop hij zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 9 oktober 2001 heeft ingediend – en de dag waarop de Raad uitspraak zal doen een zodanig lange termijn is verstreken dat sprake is van schending van de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Voorts heeft appellant gesteld dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om vergoeding van de eigen bijdrage en het griffierecht.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij medisch meer beperkt is dan aangenomen en dat de hem voorgehouden functies niet passend zijn. Hij acht een onderzoek door een medisch deskundige aangewezen.

De Raad overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM aan op het moment dat er - op zijn minst - een standpunt van het bestuursorgaan ligt waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 4 november 2005 (RSV 2006/5; USZ 2006/1) vangt dit moment doorgaans aan op het tijdstip waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of tegen het uitblijven daarvan. De Raad ziet geen aanleiding in het onderhavige geval van dit uitgangspunt af te wijken. De redelijke termijn is derhalve gaan lopen op 5 november 2001, het moment waarop appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 9 oktober 2001. De totale procedure heeft, gelet op de in rubriek III van deze uitspraak vermelde uitspraakdatum van 21 september 2007, 5 jaar en ruim 10 maanden geduurd. De Raad is van oordeel dat de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn – nu tussen partijen niet in geschil is dat een termijn van drie maanden van de totale duur van de procedure is toe te rekenen aan de opstelling van appellant tijdens de bezwaarschriftprocedure – met één jaar en zeven maanden is overschreden.

Het Uwv heeft een termijn genomen van twee jaar en zeven maanden om uiteindelijk bij besluit op bezwaar van 8 juni 2004 te beslissen op het door appellant op 5 november 2001 gemaakte bezwaar. Nu, zoals hiervoor is overwogen, van deze termijn drie maanden moeten worden toegerekend aan appellant, is sprake van overschrijding van die termijn met één jaar en tien maanden. De Raad is van oordeel dat het Uwv door de lange termijn die het heeft genomen om zijn besluitvorming af te ronden, appellant ervan heeft afgehouden om het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren.

De Raad acht aannemelijk dat appellant als gevolg van de lange duur van de procedure daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondergaan. De Raad acht om die reden termen aanwezig om het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te veroordelen tot vergoeding van de door appellant geleden immateriële schade en stelt die schade vast op een bedrag van € 1.800,--.

De rechterlijke procedure in twee instanties heeft drie jaar en ruim twee maanden in beslag genomen. Dit is niet een zodanig lange termijn dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Onder de vorengeschetste omstandigheden dient de Raad tot het oordeel te komen dat het besluit van 8 juni 2004 strijdt met artikel 6 EVRM en de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 juni 2004 ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

De Raad overweegt voorts als volgt.

De grief van appellant met betrekking tot de vergoeding van het griffierecht en de eigen bijdrage treft geen doel.

De rechtbank heeft terecht – hoewel het duidelijker was geweest indien de rechtbank dit oordeel expliciet in de uitspraak had opgenomen – geen aanleiding gezien dit verzoek op de door appellant aangevoerde gronden in te willigen, reeds omdat de door appellant ingediende grond ter onderbouwing van de vordering van de vergoeding feitelijke grondslag mist. De vordering is gebaseerd op de omstandigheid dat appellant naar zijn mening tijdens de termijn waarbinnen beroep diende te worden ingesteld tegen het besluit van het Uwv van 8 juni 2004 – nu niet alle stukken hem waren toegezonden - niet goed kon inschatten of beroep zinvol was en mitsdien werd gedwongen kosten te maken die wellicht niet noodzakelijk waren. Appellant heeft ter zitting van de Raad desgevraagd echter niet bestreden dat hij, indien hij wel binnen de beroepstermijn het naar zijn idee noodzakelijke inzicht had gehad, ook beroep had ingesteld.

Van een situatie waarin gezegd zou kunnen worden dat appellant onnodig kosten heeft gemaakt voor het instellen van beroep – daargelaten het antwoord op de vraag of dit zou kunnen leiden tot toewijzing van de vordering – is mitsdien geen sprake.

De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat zijn beperkingen van medische aard zijn onderschat. De Raad kan zich vinden in het door de rechtbank op dit punt gegeven oordeel en maakt de door de rechtbank gebezigde overwegingen tot de zijne. In de medische gegevens verstrekt door de opvolgend huisartsen en de orthopedisch chirurg E.R.A. van Arkel is vermeld dat appellant problemen met de schouder heeft. Door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn in verband met deze problemen ook beperkingen geduid ten aanzien van de schouderbelasting. Uit vorenbedoelde stukken afkomstig van de appellant behandelende sector blijkt – nog daargelaten dat niet alle informatie op de datum in geding ziet - geenszins dat de (bezwaar)verzekeringsarts onvoldoende beperkingen heeft vastgesteld.

Voor een onderzoek door een deskundige ziet de Raad onder deze omstandigheden geen aanleiding.

Ten aanzien van de arbeidskundige component van het besluit van 8 juni 2004 overweegt de Raad als volgt.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 11 oktober 2005 (LJN: AU5061) is niet kunnen blijken van aanknopingspunten om het ervoor te houden dat de enkele gebruikmaking van het CBBS als ondersteunend systeem bij schattingen tot relevante verschillen in uitkomst leidt in vergelijking met schattingen waarbij (nog) gebruik is gemaakt van het FIS. Er is daarom geen toereikende grond om mee te kunnen gaan met de (kennelijke) opvatting van appellant dat hij, uitsluitend als gevolg van het feit dat de in het besluit van 8 juni 2004 vervatte schatting tot stand is gekomen met behulp van het CBBS als ondersteunend systeem in plaats van het FIS, op rechtens onaanvaardbare wijze in zijn belangen is geschaad.

De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting uiteengezet dat mede in het licht van de door de Raad gevormde jurisprudentie met betrekking tot de vereiste inzichtelijkheid van de geschiktheid van voorgehouden functies, de functies die appellant in dit geval zijn voorgehouden een nadere toelichting behoeven. De Raad acht dit standpunt juist.

De gemachtigde van het Uwv heeft op basis van mondelinge informatie verkregen van de arbeidsdeskundige uiteengezet waarom de geduide functies voor appellant geschikt zijn. Het behoorde, naar de gemachtigde heeft verklaard, niet meer tot de mogelijkheden de reactie van de arbeidsdeskundige tijdig in de procedure te brengen.

De gemachtigde van het Uwv heeft naar aanleiding van het standpunt van de gemachtigde van appellant dat zij zonder een deskundige te raadplegen niet in staat is gedegen te reageren op hetgeen van de zijde van het Uwv ter zitting alsnog als toelichting naar voren is gebracht, desgevraagd medegedeeld dit standpunt te kunnen billijken.

De Raad acht het door de gemachtigde van het Uwv ingenomen standpunt in de gegeven omstandigheden onontkoombaar en juist.

Onder de vorengeschetste omstandigheden dient de Raad tot het oordeel te komen dat het besluit van 8 juni 2004 voor wat betreft de arbeidskundige kant niet berust op een voldoende motivering, zodat het hoger beroep ook op dit punt slaagt.

De aangevallen uitspraak en het besluit van 8 juni 2004 dienen mitsdien te worden vernietigd.

Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen. Als gevolg hiervan zal een verdere overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM plaatsvinden. Het Uwv zal dienen te bezien of deze verdere overschrijding aanleiding geeft tot toekenning van schadevergoeding.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 juni 2004;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade van appellant ten bedrage van € 1.800,--;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen aan appellant de betaalde griffierechten in beroep en hoger beroep van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 september 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL