Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
06-5622 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering tegemoetkoming schoolkosten, aangezien niet binnen 6 weken na verkrijgen geldige verblijfsdocument een aanvraag is gedaan. Beoordelen als verzoek terugkomen van? Nieuwe feiten? Beleid. Discretionaire bevoegdheid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2007/229
JBSELECT 2009/11 met annotatie van mr. L.J.M. Timmermans
ROT 2010/112 met annotatie van Mr. D.T. van der Leek
ROT 2010/110
AB 2007, 351
RSV 2007, 368

Uitspraak

06/5622 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2006, 06/330 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene],

en

appellante

Datum uitspraak: 14 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H.A. Rispens, advocaat te Almere, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2007. Appellante was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn en betrokkene door mr. Rispens.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft geweigerd betrokkene – in verband met problemen rondom haar verblijfsstatus - voor haar dochter [E.] een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) voor het

schooljaar 2002-2003 te verstrekken.

Tegen deze weigering heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 13 mei 2005 heeft betrokkene aan appellante medegedeeld dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie – beslissend op bezwaar – bij besluit van 10 februari 2005 heeft bepaald dat aan haar alsnog een verblijfsdocument met een geldigheidsduur van 13 december 2002 tot 13 december 2007 wordt verstrekt, waaruit het rechtmatig (voortgezet) verblijf in Nederland als gemeenschapsonderdaan blijkt. Bij deze brief heeft betrokkene het besluit van 10 februari 2005 overgelegd.

Betrokkene heeft appellante verzocht – nu is komen vast te staan dat zij op het voor het schooljaar 2002-2003 relevante moment wel over een geldig verblijfsdocument beschikte – haar alsnog voor een tegemoetkoming op grond van de Wtos voor het schooljaar 2002-2003 in aanmerking te brengen.

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft appellante dit geweigerd. Het besluit luidt, voor zover in dit verband relevant, als volgt:

“Wij wijzen uw verzoek af, omdat u ons niet tijdig op de hoogte heeft gesteld van de wijziging in uw verblijfsvergunning. U diende de wijziging binnen zes weken aan ons door te geven”.

Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft onder meer naar voren gebracht dat zij reeds sedert 23 april 1990 in het bezit is van een vergunning tot verblijf in Nederland, dat deze vergunning herhaaldelijk is verlengd en dat zij tijdig wederom een verlenging had aangevraagd. Naar haar opvatting kan haar niet worden tegengeworpen dat eerst in bezwaar

- bij besluit van 10 februari 2005 - is vastgesteld dat zij ook vanaf 13 december 2002 legaal in Nederland verbleef.

Betrokkene is van opvatting dat zij, nu zij met terugwerkende kracht voldoet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming op grond van de Wtos, alsnog recht heeft op meerbedoelde tegemoetkoming. Zij acht het onjuist dat appellante haar tegenwerpt dat zij zich niet binnen zes weken nadat zij kennis had gekregen van het besluit van de minister van 10 februari 2005 tot appellante heeft gewend.

Bij besluit van 14 december 2005 heeft appellante het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Dit op grond van de overweging dat de aanvraag van betrokkene niet binnen een redelijke termijn is gedaan.

In dit besluit heeft appellante onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder meer overwogen dat een (herstel)aanvraag wordt toegewezen als sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en de aanvraag binnen een redelijke termijn wordt gedaan. Naar appellante heeft overwogen wil binnen een redelijke termijn zeggen binnen zes weken na het bekend worden van de nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het besluit van 14 december 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellante een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen; een en ander met aanvullende beslissingen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De rechtbank heeft hiertoe kort samengevat overwogen dat artikel 4:6, tweede lid, van de Awb voor appellante alleen in het geval dat door betrokkene geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd de mogelijkheid opent een nieuwe aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar een eerdere afwijzende beschikking. De wet opent naar het oordeel van de rechtbank niet de mogelijkheid een nieuwe aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar een eerdere beschikking in een situatie dat de aanvraag niet is gedaan binnen zes weken nadat de gestelde nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bij aanvrager bekend zijn geworden. In zo’n situatie is appellante verplicht de betekenis van de nieuwe feiten of veranderde omstandigheden te onderzoeken en dient zonodig te worden gemotiveerd waarom die feiten en omstandigheden niet tot een andere uitkomst leiden.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante is van mening dat het oordeel van de rechtbank miskent dat het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb haar een discretionaire bevoegdheid geeft en dat zij in dit kader beleid kan voeren. Zij acht het door haar gevoerde en gepubliceerde beleid - verzoeken om terug te komen van een rechtens vaststaande beschikking worden slechts gehonoreerd indien de verzoeken zijn gedaan binnen zes weken nadat de nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bekend zijn geworden - alleszins aanvaardbaar.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 4:6 van de Awb luidt:

“1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.”

Het eerste lid van artikel 4:6 van de Awb legt een verplichting op aan de aanvrager. Indien de aanvrager een aanvraag doet nadat een eerdere aanvraag reeds geheel of gedeeltelijk is afgewezen dient hij bij die nieuwe aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Het tweede lid van artikel 4:6 geeft het bestuursorgaan in het geval de aanvrager zich niet aan de verplichting omschreven in het eerste lid houdt de bevoegdheid de aanvraag af te wijzen onder de enkele verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking.

Appellante is niet toegekomen aan het antwoord op de vraag of hetgeen door betrokkene is gesteld nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb opleveren. Appellante heeft de aanvraag, onder verwijzing naar haar eerdere beschikking, afgewezen op de enkele grond dat de aanvraag niet tijdig is ingediend.

De Raad kan appellante niet volgen voor zover zij betoogt dat artikel 4:6 van de Awb haar de bevoegdheid geeft om ook in het geval de aanvrager niet binnen een termijn van zes weken nadat hem nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gebleken een aanvraag doet, deze aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking. Zo een bevoegdheid is in artikel 4:6, tweede lid van de Awb niet aan het bestuursorgaan gegeven. Uit de duidelijke tekst van artikel 4:6 van de Awb volgt dat aan appellante slechts de bevoegdheid toekomt om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, een aanvraag af te wijzen onder de enkele verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking in het geval geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gesteld.

Met haar beroep op de haar toekomende discretionaire bevoegdheid miskent appellante de inhoud van haar besluit van 14 december 2005 en de hiermee bepaalde buitengrens van het geschil.

De door appellante bedoelde discretionaire bevoegdheid ziet op de aan het bestuursorgaan toekomende bevoegdheid om - in bepaalde omstandigheden - al dan niet aan een verzoek om terug te komen van een rechtens vaststaand beschikking te voldoen. Het besluit van appellante van 14 december 2005 ziet echter, zoals hiervoor reeds overwogen, niet op het al dan niet gebruik maken van deze bevoegdheid. Appellante is in haar besluit aan overwegingen om al dan niet gebruik te maken van die bevoegdheid immers niet toegekomen, omdat zij zich ten onrechte bevoegd heeft geacht het verzoek onder verwijzing naar een eerdere beschikking af te wijzen op de grond dat het verzoek niet tijdig was ingediend.

De Raad kan zich in deze procedure anders dan appellante wenst dan ook niet uitlaten of een beleid waarbij grenzen worden gesteld aan de termijn waarbinnen een aanvraag om terug te komen van een rechtens vaststaand beschikking moet worden ingediend rechtens aanvaardbaar is.

Het hoger beroep van appellante slaagt mitsdien niet.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet aanleiding appellante te veroordelen in de door betrokkene in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep in de door betrokkene wegens rechtsbijstand in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, aan betrokkene te betalen door de Informatie Beheer Groep;

Bepaalt dat van de Informatie Beheer Groep een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM