Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4208

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
06-3966 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstandsuitkering buiten behandeling gesteld, aangezien gevraagde gegevens niet zijn verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 332

Uitspraak

06/3966 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 1 mei 2006, 06/1747 en 06/1520 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene]

Datum uitspraak: 18 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. van Bladel, advocaat te Oosterhout, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2007. Appellant heeft zich, zoals aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Bladel.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkene heeft bij appellant een aanvraag ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ingediend om hem met ingang van 1 juli 2005 bijstand te verlenen ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Op het aanvraagformulier heeft betrokkene aangekruist zowel zelfstandige te zijn wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is als bedoeld in art 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbz 2004 (gevestigd zelfstandige) als zelfstandige van 55 jaar of ouder wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is als bedoeld in art 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 (oudere zelfstandige).

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft appellant Friedeberg Consultancy BV (FCBV) verzocht een bedrijfseconomisch rapport op te stellen en aan te geven in welke vorm hulp kan worden verleend.

FCBV heeft betrokkene bij brief van 6 september 2005 verzocht om overzichten van de debiteuren en crediteuren per 31 augustus 2005, een overzicht van de huidige orderportefeuille, een afschrift van het huurcontract van de bedrijfsruimte, een overzicht van de omzetten in januari tot en met augustus 2005, een kopie van de overeenkomst van het rekening-courant krediet en kopieën van de laatst verkregen afschriften van dit krediet en van de privérekening. Bij brief van 26 september 2005 heeft appellant betrokkene verzocht om uiterlijk op 7 oktober 2005 de door FCBV gevraagde gegevens over te leggen. Daarbij is aan betrokkene meegedeeld dat het niet of niet volledig verstrekken van die gegevens tot gevolg kan hebben dat de aanvraag niet verder zal worden behandeld.

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft appellant de aanvraag van betrokkene met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Appellant heeft hieraan ten grondslag gelegd dat betrokkene heeft verzuimd om uiterlijk op 7 oktober 2005 de gevraagde gegevens te verstrekken.

Bij besluit van 20 maart 2006 heeft appellant het tegen het besluit van 11 oktober 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 20 maart 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat appellant met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Naar het oordeel van deze rechter heeft appellant zich ten onrechte bevoegd geacht tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag.

Gezien de zich onder de stukken bevindende notitie van een telefoongesprek op 15 september 2005 moet het er volgens de voorzieningenrechter voor worden gehouden dat uitsluitend nog sprake is van een aanvraag als oudere zelfstandige. De voorzieningenrechter is er niet zonder meer van overtuigd dat al de gevraagde gegevens nodig zijn voor een beslissing op deze aanvraag.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij op het beroep is beslist.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

In artikel 25 van het Bbz 2004 is bepaald dat aan een oudere zelfstandige algemene bijstand wordt verleend voor de duur dat hij uit het bedrijf naar verwachting een bruto inkomen zal behalen dat gemiddeld minstens € 6.616,00 per boekjaar bedraagt. Ingevolge artikel 26 van het Bbz 2004 wordt, voor zover hier van belang, bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan de oudere zelfstandige slechts verleend tot ten hoogste een bedrag van (ten tijde van belang) € 8.329,--. Deze bijstand wordt verstrekt om niet of, voor zover het eigen vermogen meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in artikel 3, tweede lid, van het Bbz 2004, in de vorm van een renteloze lening.

De Raad stelt vast dat appellant naar aanleiding van de aanvraag van betrokkene, waarbij deze heeft aangegeven zowel gevestigd zelfstandige als oudere zelfstandige te zijn, aan FCBV een ruime onderzoeksopdracht heeft verleend, die geacht kan worden betrekking te hebben op beide hoedanigheden.

Anders dan de voorzieningenrechter ziet de Raad niet dat de aanvraag van betrokkene om bijstand in zijn hoedanigheid van gevestigd zelfstandige is ingetrokken. Uit het verslag van het al eerder vermelde telefoongesprek dat betrokkene op 15 september 2005 heeft gevoerd met een medewerker van de Dienst Sociale Zaken, Arbeidsmarktbeleid en Welzijn volgt, dat betrokkene - tot twee keer toe - heeft aangegeven dat hij geen wijziging van zijn aanvraag wenst. Bij het voorgaande tekent de Raad nog aan dat, zo blijkt uit de gedingstukken (zie bijvoorbeeld de brief van betrokkene aan appellant van

26 augustus 2005), betrokkene zelf de mogelijkheid heeft opengehouden dat, indien een onderzoek op basis van de artikelen 25 en 26 van het Bbz 2004 zou uitwijzen dat zijn bedrijf wel levensvatbaar is, vervolgens zou kunnen worden bezien of aan hem bijstand kon worden verleend op basis van zijn hoedanigheid als gevestigd zelfstandige.

Overigens is de Raad met appellant van oordeel dat de door FCBV gevraagde gegevens hoe dan ook - dus daargelaten of alleen nog een aanvraag om bijstand voor een oudere zelfstandige voorlag - van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of betrokkene recht heeft op bijstand ingevolge het Bbz 2004. Deze gegevens hebben tot doel inzicht te verkrijgen in de financiële situatie van (het bedrijf van) betrokkene. Zij zijn van belang voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Gelet evenwel op hetgeen in de artikelen 25 en 26 van het Bbz 2004 is bepaald ten aanzien van het inkomen en vermogen zijn de gevraagde gegevens ook nodig voor het geval waarin een beslissing dient te worden genomen op een aanvraag om bijstand ten behoeve van een oudere zelfstandige. In dat kader moet immers worden bezien of het bedrijf (blijvend) niet levensvatbaar is.

Vaststaat dat betrokkene de door FCBV gevraagde gegevens niet heeft verstrekt.

Hij heeft dit verzuim niet binnen de door appellant geboden hersteltermijn hersteld.

De Raad is van oordeel dat dit betrokkene kan worden verweten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat niet is gebleken dat betrokkene buiten staat was de verlangde gegevens tijdig over te leggen en voorts dat hij niet binnen de gestelde termijn om uitstel heeft verzocht.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat appellant bevoegd was om met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb de aanvraag van betrokkene buiten behandeling te stellen. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat appellant na afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten. Dit betekent dat de aanvraag van betrokkene van 1 juli 2005 terecht buiten behandeling is gesteld. Nu de voorzieningenrechter dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de (voorzieningenrechter van de) rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van

20 maart 2006 ongegrond verklaren.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 maart 2006 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) S. van Ommen.

BKH