Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4199

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
05-5043 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

UItbetaling WAO-uitkering op nihil gesteld. Maatmanwijziging terecht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 333

Uitspraak

05/5043 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 juli 2005, 04/2175 (de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C.M. Huizer.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft in juni 1985 haar werk als schoonmaakster gedurende 12 ½ uren per week wegens psychische klachten gestaakt. Met ingang van 20 juni 1986 is haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Met ingang van 15 maart 1993 was appellante werkzaam als schoonmaakster in een dienstverband op grond van de Wet op de Sociale Werkvoorziening (WSW). Vanaf 19 februari 1999 is deze volledige betrekking gewijzigd in een part time dienstverband, nadat appellante vanaf april 1998 haar werk voor de helft van de oorspronkelijke werktijd feitelijk had verricht. Op grond van een arbeidskundig advies van 4 juni 1999 is vanwege haar arbeidsinkomsten de WAO-uitkering van appellante vanaf april 1998 betaald als ware zij 45-55% arbeidsongeschikt. Bij deze arbeidskundige advisering is de arbeidsdeskundige er van uitgegaan dat de maatgevende arbeid het full time verrichte schoonmaakwerk in WSW-verband betrof.

Vanaf 29 augustus 2001 heeft appellante haar WSW-werk wegens ziekte volledig gestaakt en kwam haar WAO-uitkering zonder korting tot uitbetaling. Vanaf 22 september 2003 heeft appellante haar werk voor 15 uren per week hervat. Bij besluit van 13 mei 2004 is de betaling van haar WAO-uitkering ingaande 22 september 2003 op nihil gesteld. Hieraan ligt ten grondslag een arbeidskundig advies van 4 mei 2004, waarin, anders dan voorheen, als maatgevende arbeid is aangemerkt de part time schoonmaakwerkzaamheden die appellante tot juni 1985 in het vrije bedrijf heeft verricht.

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 30 november 2004 waarbij het Uwv ondanks het bezwaar van appellante heeft gehandhaafd zijn besluit van 13 mei 2004.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft daartoe het, door appellante gemotiveerd betwiste, standpunt van het Uwv gevolgd, dat maatmanwisseling afhankelijk is van nieuw verkregen bekwaamheden als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de WAO.

Ook in hoger beroep heeft appellante op uiteenlopende gronden bestreden dat het Uwv artikel 44 van de WAO in dit geval op juiste wijze heeft toegepast. De kern van het geschil wordt daarbij gevormd door de vraag of het Uwv voor de toepassing van artikel 44 van de WAO vanaf 22 september 2003 voor de bepaling van het loonverlies terecht een vergelijking heeft gemaakt tussen de feitelijke arbeidsinkomsten van appellante en haar geactualiseerde verdiensten als part time schoonmaakster in het vrije bedrijf.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv ten onrechte vanaf 22 september 2003 de uitbetaling van de WAO-uitkering van appellante op nihil heeft gesteld. Daartoe heeft de Raad overwogen dat het Uwv bij de toepassing van artikel 44 van de WAO zijn standpunt over de maatman ten nadele van appellante heeft gewijzigd zonder dat zij van die standpuntwijziging vóór (het besluit van) 13 mei 2004 op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn. Onder die omstandigheden verzet de rechtszekerheid zich tegen de op die standpuntwijziging gebaseerde toepassing van artikel 44 van de WAO met terugwerkende kracht, zodat reeds op die grond het bestreden besluit geen stand kan houden.

De aangevallen uitspraak komt zodoende voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het inleidende beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, met de opdracht aan het Uwv om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante.

Voorts ziet de Raad aanleiding om het Uwv in de proceskosten te veroordelen, aan de zijde van appellante wegens de aan haar verleende rechtsbijstand begroot op € 322,- voor het geding bij de rechtbank en € 322,- voor het geding in hoger beroep. Appellante heeft tijdig gevraagd de door haar in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden. Reeds thans is duidelijk dat de nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante een herroeping van het besluit van 13 mei 2004 zal inhouden, zodat de Raad tevens ten laste van het Uwv een vergoeding zal vaststellen voor deze kosten, voor rechtsbijstand begroot op € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 november 2004;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-, en de in bezwaar gevallen kosten ad € 322,-, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante;

Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht, in totaal € 140,-, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 september 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.C. Palmboom.

MK