Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4195

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
05-6451 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met terugwerkende kracht WAO-uitkering herzien en vervolgens ingetrokken. Terugvordering. Redelijkerwijs duidelijk dat loonsverhoging van invloed zou kunnen zijn op WAO-uitkering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6451 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 september 2005, 05/959 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene],

en

appellant.

Datum uitspraak: 21 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.C. Hoogendam, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2007, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.J. Koele.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen onderling tot overeenstemming te komen.

Nadat partijen de Raad hadden bericht dat geen overeenstemming kon worden bereikt, hebben partijen desverzocht ingestemd met het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad allereerst naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Betrokkene ontvangt sedert 26 juni 1991 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), vanaf 28 april 1997 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Op 7 april 2003 heeft betrokkene in het kader van een zogenoemde vijfdejaars herbeoordeling gesproken met de arbeidsdeskundige H.P.M. Kroon, waarna zij nadere salarisgegevens heeft verstrekt. Uit de rapporten van de arbeidsdeskundige van 6 november 2003 blijkt dat betrokkene de werkzaamheden die zij op detacheringbasis voor de gemeente Den Haag verrichtte, per 1 augustus 1999 structureel heeft uitgebreid van 20 naar 26 uur per week, dat zij per 1 september 2000 in vaste dienst is getreden bij de gemeente Den Haag en dat haar verdiensten in die periode zijn gestegen. Bij brief van 6 november 2003 heeft de arbeidsdeskundige betrokkene ingelicht over de gevolgen die de hogere verdiensten voor haar WAO-uitkering hebben.

Appellant heeft bij besluiten van 31 maart 2004 de WAO-uitkering van betrokkene per 1 augustus 1999 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en per 1 september 2000 ingetrokken. Bij besluit van eveneens 31 maart 2004 heeft appellant de aan betrokkene van 1 augustus 1999 tot 1 februari 2004 betaalde uitkering tot een bedrag van € 16.027,63 van haar teruggevorderd, als onverschuldigd aan haar betaald. Bij besluit van 4 juni 2004 heeft appellant de aflossingscapaciteit van betrokkene vastgesteld op € 183,89 per maand.

Bij het door betrokkene in beroep bestreden besluit van 10 januari 2005 heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen deze vier besluiten ongegrond verklaard, en de besluiten gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat betrokkene gelet op de niet minieme loonsverhoging en urenuitbreiding had kunnen beseffen dat deze van invloed waren op de hoogte van haar uitkering. Van een uitzondering op het uitgangspunt dat de WAO-uitkering van betrokkene niet met terugwerkende kracht mag worden ingetrokken is naar het oordeel van de rechtbank echter niet ten volle sprake, omdat de gevalsbehandeling door appellant niet adequaat is geweest. Daarbij heeft de rechtbank aangenomen, hoewel daarvoor geen schriftelijke bewijzen zijn, dat betrokkene in augustus 1999 en september 2000 tevergeefs telefonisch contact met de betreffende uitvoeringsinstelling heeft gezocht, en toen dit niet lukte appellant schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van haar toegenomen verdiensten. Uit het uitblijven van een reactie heeft betrokkene geconcludeerd dat het 6 uur per week meer gaan werken, kennelijk niet van invloed was op haar uitkering. De rechtbank heeft vervolgens overwogen, waarbij betrokkene als eiseres is aangeduid en appellant als verweerder: “Nu eiseres weliswaar meteen bij haar urenuitbreiding kon weten dát deze van invloed zou zijn op haar uitkering, doch pas bij brief van 6 november 2003 kon weten wélke invloed die inkomsten op haar uitkering hadden, heeft verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld door de uitkering van eiseres met volledige terugwerkende kracht tot 1 augustus 1999 te herzien en in te trekken.”

De grieven van appellant richten zich tegen deze laatste overweging van de rechtbank. Hij wijst erop dat hij verplicht is om hetgeen onverschuldigd is betaald van betrokkene terug te vorderen en voorts dat geen sprake is van een dringende reden op grond waarvan van terugvordering zou kunnen worden afgezien. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat betrokkene pas bij brief van 6 november 2003 had kunnen weten welke invloed de inkomsten op haar uitkering zouden hebben. In dit verband wijst appellant erop dat betrokkene vanaf

1 september 1993 wisselende inkomsten heeft gehad die steeds in enige mate van invloed waren op de hoogte van haar uitkering en daar ook steeds met toepassing van artikel 44 WAO op in mindering zijn gebracht.

De Raad overweegt als volgt.

Bij het bestreden besluit heeft appellant de WAO-uitkering van appellant met terugwerkende kracht eerst herzien en vervolgens ingetrokken. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is een dergelijke beslissing in het algemeen in strijd met de rechtszekerheid. Van een zodanige strijd met de rechtszekerheid is geen sprake wanneer betrokkene wist, althans redelijkerwijs had behoren te weten, dat hij ernstig rekening diende te houden met de mogelijkheid van een dergelijke herziening en/of intrekking.

Partijen verschillen van mening over de vraag of van de aangegeven uitzonderingssituatie in dit geval sprake is. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene wist dan wel redelijkerwijs had dienen te beseffen dat de aanmerkelijke loonsverhogingen die zij per 1 augustus 1999 en per 1 september 2000 kreeg, van invloed zouden kunnen zijn op haar uitkering. Dat zij dit inderdaad wist, blijkt wel uit de door appellant niet bestreden acties die betrokkene in de richting van appellant heeft ondernomen in de vorm van het zoeken van telefonisch contact en het schrijven van een brief. Het uitblijven van een reactie van het Uwv op deze acties van betrokkene heeft niet tot gevolg, dat betrokkene in redelijkheid er geen rekening meer mee behoefde te houden dat zij een te hoge uitkering ontving. Anders dan de rechtbank ziet de Raad geen reden om in dit verband onderscheid te maken tussen de vraag óf de inkomsten van invloed zijn en in welke mate ze van invloed zijn. Bepalend is of betrokkene redelijkerwijs had dienen te beseffen dát de inkomsten van invloed konden zijn, en dit is naar het oordeel van de Raad het geval.

Dat pas in november 2003 namens appellant aan betrokkene is meegedeeld dat en in welke mate haar toegenomen inkomsten van invloed waren op haar uitkering, brengt naar het oordeel van de Raad dus niet met zich mee dat het Uwv haar WAO-uitkering niet met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1999 c.q. 1 september 2000 op het met de genoten inkomsten corresponderende niveau mocht brengen. Het Uwv heeft dan ook niet in strijd met de rechtszekerheid van betrokkene gehandeld door haar WAO-uitkering met terugwerkende kracht te herzien en in te trekken.

Als gevolg van deze beslissingen staat vast dat appellant over de periode van 1 augustus 1999 tot 1 februari 2004 aan betrokkene onverschuldigd WAO-uitkering heeft betaald tot een bedrag van € 16.027,63. Nu in artikel 57 WAO is bepaald dat de onverschuldigd betaalde uitkering wordt teruggevorderd, is appellant terecht tot terugvordering overgegaan.

Ten slotte is de Raad van oordeel dat het beroep van betrokkene op de aanwezigheid van een dringende redenen om af te zien van de onderhavige herziening, intrekking en terugvordering niet kan slagen. Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen genoemde dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een herziening of een terugvordering voor een verzekerde heeft. Onder de gegeven omstandigheden komt in dit verband aan de door betrokkene geschetste omstandigheden onvoldoende gewicht toe om de aanwezigheid van bedoelde dringende redenen aan te nemen.

In hetgeen betrokkene voorts in beroep en hoger beroep tegen de herziening en intrekking van haar uitkering en tegen de terugvordering heeft aangevoerd is geen grond gelegen om de beslissing van appellant waarbij de aflossingscapaciteit van betrokkene is vastgesteld, niet in stand te laten.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hoger beroep van appellant slaagt, dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd en dat het inleidende beroep alsnog ongegrond wordt verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 september 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

MK