Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
07-503 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzegging WW-uitkering tot bepaalde datum. Aanvang opzegtermijn. Periode tot einde van de maand aanmerken als aanzegtermijn (conform BW). Geen afwijking daarvan bij CAO of gebruik. Gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/503 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 december 2006, 05/1060 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 september 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.I. van Gent, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2007. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruijs, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant was sedert 15 december 1975 in dienst van [naam werkgever] (hierna: de werkgever). In het kader van een reorganisatie is appellant op grond van de tussen werkgever en vakbonden gesloten Employability-CAO (hierna: de CAO) voor de duur van 18 maanden tot 29 maart 2005 in de mobiliteitsorganisatie Kompas geplaatst om begeleid te worden naar een andere passende functie binnen of buiten de bank. Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter bij beschikking van 20 december 2004 de arbeidsovereenkomst van appellant met de werkgever met ingang van 29 maart 2005 ontbonden onder toekenning van een vergoeding ten bedrage van € 106.858,46 ten laste van de werkgever. Appellant heeft een WW-uitkering aangevraagd.

3. Bij besluit van 28 april 2005 heeft het Uwv appellant de WW-uitkering in verband met de fictieve opzegtermijn tot en met 31 maart 2005 ontzegd. Bij besluit van gelijke datum is aan appellant per 1 april 2005 een WW-uitkering toegekend.

4. Bij het bestreden besluit van 27 juli 2005 heeft het Uwv het tegen het besluit van 28 april 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat de fictieve opzegtermijn gezien de duur van het dienstverband vier maanden bedraagt, waarbij één maand in mindering mag worden gebracht. Daarbij moet rekening worden gehouden met opzegging tegen het einde van de maand, hierna de aanzegtermijn, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere dag daarvoor is aangewezen. In de CAO wordt gesteld dat na een termijn van maximaal 18 maanden de arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd, hetgeen niet als een afwijkende bepaling kan worden aangemerkt. Daarbij komt dat een rechtsgeldige opzegging noodzakelijk is, waarbij de (wettelijke) opzegtermijn in acht moet worden genomen. Derhalve is er geen reden om af te wijken van artikel 7:672 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waardoor de eerste werkloosheidsdag dient te worden vastgesteld op 1 april 2005. Ten slotte heeft appellant niet met nadere gegevens aannemelijk gemaakt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat partijen slechts verschillen over de te hanteren aanzegdag. Op grond van artikel 7:672, eerste lid, van het BW geschiedt de opzegging tegen het einde van de maand. De laatste dag van de kalendermaand dient derhalve op grond van dit artikel als aanzegdag te worden aangemerkt. Bij het vaststellen van de fictieve opzegtemijn moet rekening worden gehouden met afwijkende bepalingen van de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, mits deze binnen de grenzen blijven van artikel 7:672 van het BW. De in de CAO genoemde termijn van 18 maanden moet naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als maximale termijn waarin men onder de Employability-overeenkomst kan vallen. Deze is niet bedoeld om de aanzegdag als bedoeld in artikel 7:672, eerste lid, van het BW te wijzigen. Nu overigens ook niet is gebleken van een onjuist of onzorgvuldig genomen besluit is de rechtbank met het Uwv van oordeel dat de opzegtermijn van appellant eindigt op 1 april 2005.

6. In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat de CAO een uitzondering op de hoofdregel maakt dat slechts tegen het einde van de maand kan worden opgezegd. De CAO bepaalt volgens appellant dat 29 maart 2005 als aanzegdag heeft te gelden. In de CAO is beoogd de arbeidsovereenkomst te laten eindigen op de dag na het einde van de zoektermijn. Het is dus onjuist dat de CAO slechts ziet op de zoektermijn en niet op de opzegtermijnen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn subsidiaire grief, dat ook het gebruik een uitzondering op de hoofdregel toelaat en dat het gebruik is dat de arbeidsovereenkomsten met de bank eindigen exact aan het einde van de zoektermijn van 18 maanden. Er zijn honderden arbeidsovereen-komsten op deze manier geëindigd. Ook op grond hiervan dient het Uwv aan appellant per 29 maart 2005 een WW-uitkering toe te kennen. Ten slotte heeft appellant het beroep op het gelijkheidsbeginsel gehandhaafd.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. Tussen partijen staat vast dat de fictieve opzegtermijn, na aftrek van de zogenoemde RDA-maand, drie maanden bedraagt. Partijen zijn nog slechts verdeeld over de aanzeg-termijn. Appellant is daarbij uitgegaan van de einddatum van de herplaatsingstermijn, terwijl het Uwv heeft gesteld dat op grond van artikel 7:672, eerste lid, van het BW de periode tot het einde van de maand als aanzegtermijn moet worden aangemerkt.

7.2. Ingevolge artikel 7:672, eerste lid, van het BW geschiedt opzegging tegen het einde van de maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere dag daarvoor is aangewezen.

7.3. Met het Uwv en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de CAO niet een dergelijke dag aanwijst. In de CAO is met betrekking tot het einde van de arbeidsovereenkomst slechts bepaald dat appellant gedurende een periode van 18 maanden zal worden begeleid naar een functie binnen of buiten de bank en dat na deze periode de arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd waartoe een beëindigingsovereenkomst zal worden opgemaakt. In het geval van appellant is in de beëindigingsovereenkomst opgenomen dat de werkgever een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal indienen bij de kantonrechter. De CAO bevat echter geen aanwijzing voor een andere aanzegdag dan die op grond van het bepaalde in artikel 7:672, eerste lid, van het BW, zodat de stelling van appellant dat de CAO een van dit artikellid afwijkende bepaling kent niet kan slagen.

7.4. Evenmin is er grond voor het oordeel dat door gebruik een andere aanzegdag is aangewezen. Weliswaar is de arbeidsovereenkomst van vele medewerkers beëindigd met ingang van de dag na afloop van de duur van de plaatsing in de mobiliteitsorganisatie, doch aan deze beëindiging lag gezien de tekst van de CAO altijd een beschikking van de kantonrechter ten grondslag, zodat reeds daarom niet op grond van het gebruik een andere aanzegdag was aangewezen.

7.5. Ten slotte is de Raad van oordeel dat het beroep van appellant op het gelijkheids-beginsel niet kan slagen. Uit de door appellant overgelegde stukken blijkt dat in de door hem genoemde gevallen, anders dan in het geval van appellant, de werkgever het verzoek bij de kantonrechter zo tijdig heeft ingediend en de kantonrechter zo tijdig uitspraak heeft gedaan dat de fictieve opzegtermijn reeds was verstreken voor de datum met ingang waarvan de respectieve arbeidsovereenkomsten werden ontbonden.

7.6. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het Uwv op juiste gronden aan appellant tot 1 april 2005 WW-uitkering heeft ontzegd.

7.7. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en B.M. van Dun en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2007.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.R.S. Bacon.

HD