Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4180

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
06-6603 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek terug te komen van weigering WW-uitkering. Nieuwe feiten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6603 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 oktober 2006, 06/534 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 september 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P. Brinkman, advocaat te Doetinchem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brinkman als zijn raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant is op 13 april 2004 in dienst getreden als nachtwacht bij [werkgever 1] Met ingang van 1 november 2004 heeft appellant een arbeidsovereenkomst gesloten met [werkgever 2] (hierna ook: de werkgever). In verband met ontstane werkloosheid heeft appellant per 4 januari 2005 een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 14 januari 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hem het recht op WW-uitkering wordt ontzegd omdat appellant meer dan drie tijdelijke contracten voor bepaalde tijd heeft gehad bij zijn werkgever. Het Uwv is er daarbij vanuit gegaan dat [werkgever 2] als rechtsopvolger van [werkgever 1] is aan te merken. Het laatste contract was dan ook een contract voor onbepaalde tijd, zodat appellant recht heeft op doorbetaling van loon. Appellant heeft naar aanleiding van dit besluit aan het Uwv nadere informatie doen toekomen. Bij besluit van 4 februari 2005 heeft het Uwv de beslissing van 14 januari 2005 gehandhaafd. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 23 februari 2005 ongegrond verklaard. Appellant heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend.

3. Op 14 november 2005 heeft appellant aan het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 4 februari 2005 omdat hem inmiddels is gebleken dat geen sprake was van een overgang van onderneming, zodat hij geen aanspraak op loon kon doen gelden jegens de werkgever over de periode vanaf 4 januari 2005. Daarbij heeft appellant opgemerkt dat de kapitein en de purser van de RiverStarline, die in dezelfde situatie als appellant verkeerden, met ingang van die datum wel een WW-uitkering hebben gekregen.

Bij besluit van 14 december 2005 heeft het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en onder verwijzing naar het besluit van 4 februari 2005 het verzoek van appellant afgewezen.

4. Bij het bestreden besluit van 21 februari 2006 heeft het Uwv het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan de besluiten van 14 januari 2005 en van 4 februari 2005 zouden moeten worden herzien.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant aangevoerde feiten niet zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit en destijds evenzeer hadden kunnen worden aangevoerd. Er zijn door appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd die het Uwv noopten te komen tot een inhoudelijke beoordeling van de herhaalde aanvraag om WW-uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank kan de juistheid van de motivering die het Uwv aan het besluit van

4 februari 2005 ten grondslag heeft gelegd, als ook de vermeende strijdigheid van dat besluit met enig beginsel van behoorlijk bestuur in het midden blijven. Naar vaste jurisprudentie speelt de (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol bij de beoordeling op grond van artikel 4:6 van de Awb.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat wel sprake is van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden, zoals door hem is aangegeven in de brief van 14 november 2005, aangezien hem eerst op 11 november 2005 is gebleken dat er geen sprake was van overgang van onderneming. [werkgever 2] bleek niet de rechtsopvolger te zijn van [werkgever 1] Het tweede nieuwe feit is dat de kapitein en de purser wel een WW-uitkering hebben gekregen. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het gegeven dat de feiten niet zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit nog niet maakt dat geen sprake kan zijn van nieuwe feiten of omstandigheden. Ook het feit dat ze destijds hadden kunnen worden aangevoerd, maakt niet dat niet gesproken kan worden van nieuwe feiten en omstandigheden. Voorts wordt niet gesteld dat het feiten van algemene bekendheid waren. De rechtbank heeft het beroep dan ook ten onrechte ongegrond verklaard.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden indien na een afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Niettemin is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandig-heden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

7.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet zijn aan te merken als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Deze feiten hadden immers door appellant reeds ten tijde van de vorige procedure naar voren gebracht kunnen worden, omdat deze informatie destijds al beschikbaar was. Dat appellant eerst na het verstrijken van de beroepstermijn bekend is geworden met deze informatie en zich pas op dat moment tot het Uwv heeft gewend, dient voor zijn risico te komen.

7.3. Nu niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden mocht het Uwv dan ook volstaan met een afwijzing onder verwijzing naar het eerdere besluit. Hiervan uitgaande kan niet gezegd worden dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

7.4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en B.M. van Dun en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2007.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW