Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4155

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
04-2629 + 06-5201 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuursorgaan alsnog tegemoetgekomen aan bezwaar. Niet-ontvankelijk verklaring. Geen vergoeding kosten rapportages van Instituut Psychosofia.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/2629 + 06/5201 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2004, kenmerk 03/873 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 21 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante alsnog gegrond verklaard. Haar uitkering is per datum in geding alsnog ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tevens zijn de in bezwaar door appellante gemaakte proceskosten (reiskosten in verband met het bijwonen van de hoorzitting en haar bezoek aan de bezwaarverzekeringsarts) vergoed.

De gemachtigde van appellante heeft verzocht om vergoeding van de in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten alsmede om vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2007. Mr. de Jonge is verschenen voor appellante. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.

Ter zitting heeft mr. De Jonge te kennen gegeven dat zij van de Raad in dit geding geen uitspraak verlangt over de wettelijke rente en dat de kosten, verbonden aan het advies van de orthopedisch chirurg Schreuder, inmiddels door het Uwv zijn vergoed.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 29 maart 2002 heeft het Uwv appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van

20 april 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 14 februari 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Hangende het hoger beroep is het Uwv tot het inzicht gekomen dat twee van de drie aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet passend voor appellante waren. Daarom heeft het Uwv het besluit van 20 juni 2006 genomen.

Nu de uitkering van appellante alsnog per datum in geding ongewijzigd is voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en tevens de in bezwaar gemaakte proceskosten naar genoegen van appellante zijn vergoed, is het Uwv naar het oordeel van de Raad volledig aan appellante tegemoet gekomen. Dit brengt enerzijds mee dat het besluit van 20 juni 2006 ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in het lopende hoger beroep wordt meegenomen en anderzijds dat appellante geen belang meer heeft bij een toetsing van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit.

Dit leidt tot een niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep met vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De vergoeding van de in beroep en in hoger beroep door appellante gemaakte proceskosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- voor in beroep verleende rechtsbijstand en op € 644,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand. De kosten betreffende de rapportages van Instituut Psychosofia - in dit geval ingebracht in de procedure bij de rechtbank - komen volgens de aan de gemachtigde van appellante welbekende jurisprudentie van de Raad niet voor vergoeding in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de door appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 september 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

JL