Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4054

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2007
Datum publicatie
24-09-2007
Zaaknummer
06-4056 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag: verstrekken en het propageren van een niet als geneesmiddel geregistreerd middel.

Wetsverwijzingen
Geneesmiddelenwet
Geneesmiddelenwet 1
Geneesmiddelenwet 40
Warenwet
Warenwet 19
Warenwet 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGR 2007/48 met annotatie van De Best
TAR 2008/29

Uitspraak

06/4056 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2006, 05/92 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van Bestuur van het Academisch Medisch Centrum bij de Universiteit van Amsterdam (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 13 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D. de Vries, advocaat te Amsterdam. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. Beukenkamp, advocaat in dienst van het Academisch Medisch Centrum bij de Universiteit van Amsterdam (hierna: AMC) en

prof. dr. J.S. Laméris, afdelingshoofd [afdeling] bij het AMC.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was sinds 1 december 2000 werkzaam bij het AMC, laatstelijk als doktersassistente A op de afdeling [afdeling]. Naar aanleiding van een mededeling van een huisarts aan prof. dr. Laméris dat een ongeneeslijk zieke patiënt van hem bij een bezoek aan het AMC actief en ongevraagd was benaderd door een medewerkster van de afdeling [afdeling] met het verhaal dat het middel “Noni” heel goed zou werken tegen zijn aandoening, welk middel deze patiënt vervolgens voor € 50,- heeft gekocht, is binnen het AMC een intern onderzoek gestart. Dit onderzoek heeft ertoe geleid dat bij besluit van 13 januari 2004 appellante met onmiddellijke ingang op non-actief is gesteld en de toegang tot het AMC is ontzegd. Voorts is bij dit besluit het voornemen tot het verlenen van strafontslag bekend gemaakt.

1.2. Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het bestuur appellante met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Bij besluit van 30 november 2004 (hierna: bestreden besluit) is het besluit van 2 maart 2004, na door appellante gemaakt bezwaar, gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. Het bestuur heeft in strijd met artikel 11.2.1, derde lid, van de CAO Academische Ziekenhuizen geen verslag opgemaakt van het in dit artikel beschreven verantwoordingsgesprek. Ook van het op 12 januari 2004 met appellante gehouden gesprek is geen verslag opgemaakt. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat, nu appellante gedurende de bezwaarprocedure voldoende in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen, appellante door bedoelde onvolkomenheden niet is benadeeld.

3.2. Vast staat dat appellante in het AMC het middel “Noni” aan een persoon tegen betaling heeft geleverd. Appellantes verklaring dat deze persoon tegen haar bedoeling in naar het AMC is gekomen en appellante onder druk van de desbetreffende persoon een fles “Noni” heeft meegegeven die zij toevallig in haar kluisje had staan, acht de Raad niet geloofwaardig. Voor de Raad is voorts in voldoende mate komen vast te staan dat appellante zich binnen het AMC heeft bezig gehouden met het kopiëren en verspreiden van reclamemateriaal voor het middel “Noni”. De Raad verwijst hierbij naar de verklaring van F., radiologisch laborant, en de in het ziekenhuis aangetroffen folder met betrekking tot het middel “Noni”, welke folder door het bestuur is overgelegd. In deze folder worden aan het middel “Noni” gezondheidsbevorderende en genezende eigenschappen toegedicht.

3.3. Gelet op het beleid van het AMC aangaande de verstrekking van (genees)middelen en de schriftelijk vastgelegde en algemeen verspreide gedragscode van de afdeling [afdeling] is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante zich had dienen te onthouden van de verstrekking en het propageren van een niet als geneesmiddel geregistreerd middel. Appellante heeft met de verkoop en de verspreiding van folders van het middel “Noni” in het AMC de schijn gewekt dat het een geneesmiddel betrof en dat zij zich bevoegd bezig hield met de verkoop van geneesmiddelen. Bovendien heeft appellante, die werkte voor de zogeheten pap-kamers waar darmonderzoek wordt uitgevoerd bij vaak terminale patiënten, met haar handelwijze het erop toegelegd dat het middel “Noni”, welk middel blijkens de overgelegde folder een krachtige detoxificerende werking heeft en vervelende bijwerkingen kan hebben, daadwerkelijk bij een patiënt terecht zou komen. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

3.4. Anders dan appellante acht de Raad, gezien de aard en ernst van de gedragingen, het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Appellante heeft door haar handelwijze misbruik gemaakt van haar positie in het AMC en het aanzien van het AMC geschaad. Het enkele feit dat het bestuur in het bestreden besluit heeft erkend dat de afdeling [afdeling] de signalen over het verspreiden en kopiëren van folders met betrekking tot het middel “Noni” serieuzer had moeten nemen, brengt naar het oordeel van de Raad niet met zich mee dat het aan appellante gegeven ontslag niet in stand kan blijven.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en W. van den Brink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 september 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) O.C. Boute.

HD