Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2007
Datum publicatie
24-09-2007
Zaaknummer
05/4627 WAO + 05/4698 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4627 WAO

05/4698 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 juni 2005, 02/2335 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 14 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene is hoger beroep ingesteld door mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem. Voor het Uwv is hoger beroep ingesteld door mr. S. Croes, medewerker bezwaar en beroep bij het Uwv te Nijmegen.

Betrokkene en het Uwv hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2007. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Voets. Voor het Uwv is verschenen mr. P.J. Reith.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 11 april 2002 is de aan betrokkene toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, met ingang van 11 juni 2002 ingetrokken onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 september 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 26 september 2002 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd met aanvullende bepalingen over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe – kort gezegd – geoordeeld dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op een gebrekkige arbeidskundige grondslag berust; de medische grondslag is de rechtbank niet ontoereikend of onjuist gebleken.

De rechtbank heeft overwogen dat uitgegaan wordt van de bevindingen van de door de rechtbank ingeschakelde psychiater dr. N.J. de Mooij en orthopedisch chirurg A.J.L. Docter, dat De Mooij bij betrokkene een somatisatiestoornis bij een borderline persoonlijkheidsorganisatie heeft vastgesteld, dat Docter geen pathologie op organisch terrein heeft gevonden, dat geen noodzaak bestaat een andere deskundige – bijvoorbeeld een gynaecoloog – in te schakelen, dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) naar aanleiding van de bevindingen van De Mooij is aangepast en dat niet gebleken is dat ook nog andere beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat gelet op de aanpassing van de FML onvoldoende is gemotiveerd waarom betrokkene geschikt wordt geacht voor haar eigen werk. Van de geduide functies acht de rechtbank telefonist, centralist (SBC 315170) en confectie, meubel, dekkledennaaister (SBC 272040) passend. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de functie van telefonist, receptionist, typist (SBC 315120) vanwege het laten vervallen van twee deelfuncties onvoldoende arbeidsplaatsen biedt en daarom dient te vervallen, dat met de reservefunctie van typist, datatypist (SBC 315110) het vereiste aantal arbeidsplaatsen niet wordt bereikt en dat onvoldoende is gemotiveerd dat de functie van productiemedewerker industrie (SBC 111180) met functienummer 3693-3333-001 voor betrokkene geschikt is. Deze twee reservefuncties kunnen dan ook niet aan de schatting ten grondslag gelegd worden, zodat onvoldoende functies resteren waardoor de arbeidskundige grondslag ontoereikend is en het besluit op bezwaar strijdig is met artikel 9, onder b, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medische onderzoek onzorgvuldig is geweest, waardoor niet alle benodigde informatie is vergaard en haar beperkingen zijn onderschat. In dat kader heeft betrokkene gesteld dat haar bekkenklachten niet door een orthopedisch chirurg maar door een gynaecoloog onderzocht hadden moeten worden en dat een reumatoloog had moeten worden ingeschakeld om een eventueel verband tussen bekkenklachten en fibromyalgie te onderzoeken. Verder heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat de geselecteerde functies niet passend zijn, omdat ze zowel haar lichamelijke als haar psychische belastbaarheid te boven gaan.

Het Uwv heeft in hoger beroep bestreden dat de arbeidskundige grondslag ontoereikend is. Daartoe heeft het Uwv aangegeven dat voor de functie van telefonist, receptionist, typist (SBC 315120) meer voor betrokkene passend te achten deelfuncties kunnen worden geselecteerd, waardoor deze functie op de datum in geding voldoende arbeidsplaatsen representeerde. Verder heeft het Uwv aangevoerd dat de functie van productiemedewerker industrie (SBC 111180) blijkens het rapport van bezwaarverzekeringsarts M. Carere van 14 juli 2005 wel passend is voor betrokkene. Ook de functie typist, datatypist (SBC 315110) acht het Uwv passend.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen reden is te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medische onderzoek en de juistheid van de aangenomen beperkingen. De Raad betrekt het volgende in zijn oordeel.

De gezondheidstoestand van betrokkene is onder kennisneming van informatie van de behandelend sector onderzocht en beoordeeld door de bezwaarverzekeringsartsen R.R.J. Weijers, J.P.M. Joosten en Carere en daarnaast op verzoek van de rechtbank ook door psychiater De Mooij en orthopedisch chirurg Docter. De FML is vervolgens in lijn met de bevindingen van psychiater De Mooij op één onderdeel aangepast.

Het is de Raad niet gebleken dat betrokkene ter zake van haar bekkenklachten niet door een orthopedisch chirurg maar door een gynaecoloog onderzocht had moeten worden. Uit de door betrokkene aangehaalde uitspraak van 10 september 2002 (LJN AE7554, gepubliceerd in USZ 2002, 277) die betrekking heeft op een zaak waarin met het oog op bekkenklachten (wel) een gynaecoloog als deskundige is benoemd, kan zulks niet worden afgeleid. De Raad ziet verder geen reden om te twijfelen aan het standpunt van bezwaarverzekeringsarts Carere in zijn rapportage van 1 februari 2006 dat ook een orthopedisch chirurg bekkeninstabiliteit tot zijn vakgebied rekent. Ten slotte acht de Raad van belang dat orthopedisch chirurg Docter in zijn rapport over de bekkenklachten van betrokkene van 8 september 2004 heeft aangegeven het niet nodig te achten dat betrokkene nader wordt onderzocht door een deskundige op een ander terrein. De Raad gaat derhalve uit van de deskundigheid van orthopedisch chirurg Docter ter zake van bekkenklachten, meer bepaald bekkeninstabiliteit.

De Raad ziet evenmin noodzaak voor inschakeling van een reumatoloog om het door betrokkene geopperde mogelijke verband tussen bekkenklachten en fibromyalgie te onderzoeken. De Raad acht in dit verband van belang dat de verzekeringsartsen met de fysieke klachten van betrokkene tot op zekere hoogte rekening hebben gehouden door in de FML op een aantal onderdelen betreffende het fysieke functioneren beperkingen aan te geven. Gelet hierop en in het licht van de bevindingen van orthopedisch chirurg Docter heeft betrokkene niet duidelijk weten te maken wat de meerwaarde is van een onderzoek door een reumatoloog naar een mogelijk verband tussen bekkenklachten en fibromyalgie.

Derhalve uitgaande van de juistheid van de aangepaste FML van 28 mei 2004 komt de Raad toe aan de beoordeling van de grieven ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het besluit van 26 september 2002.

De Raad volgt betrokkene niet in haar stelling dat de geselecteerde functies haar lichamelijke belastbaarheid overschrijden. De Raad stelt vast dat gelet op de functiebeschrijvingen in geen van de geselecteerde functies sprake is van een overbelasting.

Ten aanzien van de stelling van betrokkene dat de geselecteerde functies haar psychische belastbaarheid te boven gaan, merkt de Raad het volgende op.

Blijkens de FML is betrokkene beperkt in haar sociale functioneren, onder meer waar het gaat om interacties waarbij betrokkene zelf weinig invloed heeft op de initiatie of de terminatie van de contacten. Betrokkene is daarom aangewezen op werkzaamheden zonder veel interactie met anderen. Uit de beschrijvingen van (alle deelfuncties van) de door het Uwv voor betrokkene geschikt geachte functies van telefonist, receptionist, typist (SBC 315120) en telefonist, centralist (SBC 315170) volgt dat de werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan uit het te woord staan van klanten. Dit roept naar het oordeel van de Raad de vraag op of de twee genoemde functies wel geschikt zijn voor betrokkene. Een antwoord op die vraag wordt in de stukken echter niet aangetroffen. Ook ter zitting kon van de zijde van het Uwv daarover geen uitsluitsel worden verkregen. Bij die stand van zaken is de Raad van oordeel dat de functies van telefonist, receptionist, typist (SBC 315120) en telefonist, centralist (SBC 315170) niet aan de schatting ten grondslag gelegd kunnen worden.

Het is de Raad, evenals de rechtbank, niet gebleken dat de functies van confectie-, meubel-, dekkledennaaister (SBC 272040) en typist, datatypist (SBC 315110) de belastbaarheid van betrokkene te boven gaan. De Raad volgt verder het Uwv in de stelling dat met het rapport van bezwaarverzekeringsarts Carere van 14 juli 2005 afdoende is gemotiveerd dat ook de functie van productiemedewerker industrie (SBC 111180) voor betrokkene geschikt is.

De Raad constateert echter dat deze resterende functies niet leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, zodat het besluit van 26 september 2002 door de rechtbank terecht is vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen tot betaling aan betrokkene van een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en een bedrag van

€ 25,60 aan reiskosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 649,60 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 428,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Gunter.

JL