Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4029

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2007
Datum publicatie
21-09-2007
Zaaknummer
05-6739 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 39a, eerste lid van de WAO kan slechts buiten toepassing worden gelaten indien het buiten twijfel staat dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak dan die van de ongeschiktheid terzake waarvan reeds uitkering wordt genoten.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 39a, geldigheid: 2007-09-07
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 39a, geldigheid: 2007-09-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6739 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 oktober 2005, 05/242 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Voornoemde gemachtigde heeft bij brief van 25 augustus 2006 nadere informatie ingezonden, waarop het Uwv door middel van een rapport van 5 juni 2007 van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2007. Appellante en boven genoemde gemachtigde waren, met voorafgaand bericht, niet aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellante, voorheen werkzaam als Z-verpleegkundige, is per 10 oktober 1986 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, zulks in verband met psychische decompensatie en spanningsklachten. Deze uitkering is laatstelijk berekend naar een percentage van 15 tot 25. Op 7 februari 2004 is zij met spoed opgenomen in het UMC Groningen voor een operatie in verband met onder andere een perforatie van de twaalfvingerige darm. Op 6 juli 2004 is namens appellante verzocht om een verhoging van haar uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid; daarbij is aangegeven dat de spanningsklachten van appellante (mede) de oorzaak van de uitval op 7 februari 2004 waren. Het Uwv heeft advies gevraagd van J. Doff, verzekeringsarts, die van oordeel was dat de toegenomen ongeschiktheid niet door de bedoelde spanningsklachten veroorzaakt is. Dienovereenkomstig heeft het Uwv aan appellante bij besluit van 11 augustus 2004 bericht, dat weliswaar per 7 februari 2004 sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar dat geen ophoging van de uitkering na vier weken kan plaatsvinden omdat de toename niet is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als die terzake waarvan reeds WAO-uitkering werd genoten.

Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het kader van dit bezwaar is op 22 december 2004 rapport uitgebracht door N. Visser voornoemd. Daarin stelt deze arts dat stress wel iets met een zweer als hier aan de orde te maken heeft, maar nooit de oorzaak ervan is. Die oorzaak is namelijk een bacterie, de Helicobacter pylori. Spanningsklachten kunnen een ulcus duodeni wel verergeren, maar zijn niet de oorzaak ervan. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 18 januari 2005 (hierna het bestreden besluit) vastgesteld, dat artikel 39a, eerste lid van de WAO (verhoging van de uitkering wegens toegenomen ongeschiktheid na vier weken indien de toename voortkomt uit dezelfde oorzaak als die van de ongeschiktheid terzake waarvan reeds uitkering wordt ontvangen) niet van toepassing is en het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is erop gewezen, dat de ene persoon gevoeliger kan zijn voor de genoemde bacterie dan de andere en dat dit onder andere zal samenhangen met de psychische situatie, in dit geval de psychische toestand van appellante. Tevens zijn brieven overgelegd van J.G. Jellema, de huisarts van appellante en van prof. dr. T. Wiggers, chirurg verbonden aan het UMC Groningen. Laatstgenoemde geeft in deze brief aan dat een relatie tussen spanningsklachten en een acute darmbloeding als hier aan de orde niet eenduidig valt aan te geven.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank zich aangesloten bij de conclusies van voornoemde bezwaarverzekeringsarts en geoordeeld, dat stress een ulcus wel kan verergeren, maar dat dit onverlet laat dat stress een ulcus niet kan veroorzaken. Nu de eerder genoemde bacterie als oorzaak van de perforatie van de darm is aan te wijzen, heeft de rechtbank het buiten twijfel geacht dat geen sprake is van een toename al gevolg van dezelfde ziekte-oorzaak als bedoeld in artikel 39a van de WAO.

Namens appellante zijn in hoger beroep de eerder aangevoerde stellingen herhaald. Tevens is informatie overgelegd afkomstig van de afdeling maag- darm- en leverziekten van het UMC Groningen (onder leiding van prof. dr. J.H. Kleibeuker), waarin onder andere wordt gesteld dat lang niet iedereen die de Helicobacter bacterie draagt ook last krijgt van zweren en bloedingen van maag of darm.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt voorop dat in de rechtspraak van de Raad artikel 39a, eerste lid van de WAO slechts dan buiten toepassing mag worden gelaten indien het buiten twijfel staat dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak dan die van de ongeschiktheid terzake waarvan reeds uitkering wordt genoten. Van de zijde van het Uwv is als aangegeven gesteld, dat de hiervoor genoemde bacterie de oorzaak is van de darmperforatie van appellante, hetgeen van de zijde van het UMC Groningen op zich is bevestigd, echter met de – door het Uwv niet weersproken – kanttekening dat het grootste deel van degenen die deze bacterie bij zich dragen nooit last krijgen van een perforatie (of een soortgelijke zweer) als hier aan de orde. Daaruit volgt dat – kennelijk – andere factoren bewerkstelligen dat de reeds aanwezige bacterie in concreto uitwerkt in een aandoening als die welke zich in februari 2004 bij appellante openbaarde. Er bestaat voldoende aanleiding om te veronderstellen, dat spanningen tot een van deze factoren moeten worden gerekend. Dit betekent, dat niet kan worden gezegd dat het buiten twijfel staat dat die spanningen – samen met de genoemde bacterie – niet (mede) de oorzaak vormen van (het daadwerkelijk ontstaan van) de toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellante. Aan de mate waarin de oorzaak die in geding is een rol speelt bij het ontstaan van de toegenomen arbeidsongeschiktheid, stelt artikel 39a van de WAO geen nadere eisen.

Het voorgaande brengt mee, dat de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen. Het inleidend beroep moet gegrond worden verklaard.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep, ten bedrage van € 644,- in eerste aanleg en € 322,- in hoger beroep. Tevens dient het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beide instanties te vergoeden (€ 37,- in eerste aanleg en € 103,- in hoger beroep).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Verklaart het beroep gegrond;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante, te begroten op in totaal € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht van € 140,- (€ 37,- in eerste aanleg en € 103,- in hoger beroep) aan appellante vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 september 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.

JL