Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB4002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2007
Datum publicatie
24-09-2007
Zaaknummer
05-5033 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5033 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2005, 04/1200 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2007. Appellant is in persoon niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, voorheen werkzaam als autowasser voor 28 uur per week, heeft zich in september 2001 ziek gemeld in verband met linker arm- en schouderklachten (een ruptuur van de bicepspees). Het Uwv heeft hem bij besluit van 25 september 2002 na afloop van de wettelijke wachttijd met ingang van 2 september 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. In het kader van een herbeoordeling is appellant onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv, die heeft vastgesteld dat appellant een aantal beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid – met name met betrekking tot hand- en vingergebruik, tillen/dragen, heffen en boven schouder actief zijn (vooral de linkerarm) – maar dat er wel benutbare arbeidsmogelijkheden voor hem bestaan. Hij heeft de bedoelde beperkingen vastgelegd in een functionele mogelijkheden lijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft vervolgens, blijkens diens rapport van 25 september 2003, enkele voor appellant geschikte functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 30 september 2003 de WAO-uitkering van appellant ingetrokken per 26 november 2003 omdat diens mate van arbeidsongeschiktheid valt te stellen op minder dan 15%.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het kader van dit bezwaar is door de bezwaarverzekeringsarts informatie gevraagd en verkregen van dr. W.J. Willems, orthopedisch chirurg van de afdeling orthopedie van het AMC en – in verband met de tijdens de hoorzitting door appellant geuite psychische klachten – van M. de Vries, sociaal psychiatrisch verpleegkundige. De bezwaarverzekeringsarts mevr. W.M. Koek heeft blijkens haar rapport van 19 april 2004 vastgesteld dat de fysieke beperkingen correct waren weergegeven en in verband met de depressief getinte klachten van appellant enige extra beperkingen in de FML opgenomen; van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld is echter haars inziens geen sprake. De bezwaararbeidsdeskundige is in haar rapport van 11 mei 2004 per geselecteerde functie nagegaan of deze passend dan wel niet-passend is te achten, heeft enkele functies laten vervallen en heeft vastgesteld dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellant ongewijzigd minder dan 15% bedraagt. Het Uwv heeft bij besluit van 26 mei 2004 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven, zulks met name gelet op de eerder genoemde rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen (de FML is in beroep nog enigszins aangescherpt). Ook de arbeidskundige grondslag van de schatting heeft de rechtbank voldoende deugdelijk geacht.

Appellant heeft in hoger beroep met name gesteld, dat zijn fysieke toestand niet is verbeterd, dat hij in september 2004 is geopereerd – kennelijk in verband met zijn linker schouderklachten – en dat zijn geestelijke situatie nog steeds slecht is als gevolg van het overlijden eind september 2003 van zijn moeder.

De Raad oordeelt als volgt.

Het hoger beroep slaagt niet. De Raad acht het medisch onderzoek – waarbij in de fase van het bezwaar voldoende informatie uit de behandelende sector voorhanden was – adequaat en is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat, ook op het psychisch vlak, te weinig beperkingen in aanmerking zijn genomen. Tevens moet worden vastgesteld, dat appellant geen nieuwe medische gegevens in het geding heeft gebracht die (in voldoende mate) afbreuk zouden kunnen doen aan het standpunt van het Uwv. Een eventuele (tijdelijke) verslechtering in verband met de door appellant bedoelde operatie na de datum in geding, kan daaraan niet afdoen.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit volstaat de Raad op te merken, dat niet is gebleken dat de belasting van de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant overtreft.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beoep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en J.Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 september 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.