Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3923

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
20-09-2007
Zaaknummer
06-5852 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand. Terugvordering. Niet overleggen van (alle) rekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5852 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 september 2006, 05/2393 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.R.A. Röschlau, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2007. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 4 maart 2003 heeft het College appellante bijzondere bijstand tot een bedrag van € 991,20 toegekend voor een babyuitzet.

Bij besluit van 21 mei 2003 heeft het College het besluit van 4 maart 2003 herzien en de kosten van bijzondere bijstand tot een bedrag van € 842,62 van appellante teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat van de door appellante ingeleverde nota’s slechts rekeningen met een totaalbedrag van € 147,58 aantoonbaar betrekking hebben op de onderdelen van een babyuitzet waarvoor bijzondere bijstand is verleend.

Bij besluit van 26 juli 2005 heeft het College het tegen het besluit van 21 mei 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, het beroep tegen het besluit van 26 juli 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd omdat het op een onjuiste wettelijke grondslag berust en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Zij heeft, evenals in bezwaar en in beroep bij de rechtbank, gesteld dat zij niet alleen de door het College in aanmerking genomen nota’s bij de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO) heeft ingeleverd maar ook rekeningen van een aantal tweedehands via internet gedane aankopen. Die nota’s moeten volgens appellante bij de DMO in het ongerede zijn geraakt, hetgeen haar niet kan worden verweten. Voorts is appellante van mening dat het College ten onrechte een nota van Prenatal tot een totaalbedrag van € 254,95 buiten beschouwing heeft gelaten. Die nota betreft volgens appellante een babydraagzak, een maxicosi en een warmtehoes en dus onmiskenbaar onderdelen van een babyuitzet.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In het toekenningsbesluit van 4 maart 2003 is nauwkeurig gespecificeerd voor welke onderdelen van een babyuitzet de bijzondere bijstand wordt verleend. Voorts is in dat besluit de verplichting opgenomen om de bijstand te besteden aan het doel waarvoor hij is verleend en om binnen 30 dagen na 4 maart 2003 originele, op naam gestelde aankoopnota’s van de babyuitzet over te leggen. Tegen het besluit van 4 maart 2003 is geen rechtsmiddel aangewend zodat het in rechte onaantastbaar is komen te staan.

Met de rechtbank en anders dan appellante is de Raad van oordeel dat het gelet op de in het besluit van 4 maart 2003 vermelde voorwaarden, alsmede uit het oogpunt van een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de bijstandswet, terecht is dat het College om originele rekeningen van de aankopen van de babyuitzet vraagt.

Ook indien appellante er voor kiest om tweedehands spullen via internet te kopen, dient zij voor rekeningen te zorgen teneinde aan te tonen dat zij de bijstand heeft besteed aan de goederen waarvoor hij is verleend.

Onder de stukken bevinden zich nota’s met een totaalbedrag van € 147,58 die zijn te herleiden tot de onderdelen van de babyuitzet waarvoor bijzondere bijstand is verleend. Andere nota’s van via internet gekochte goederen die appellante volgens haar verklaring naar de DMO heeft gestuurd, bevinden zich niet onder de stukken en zijn volgens het College ook niet ontvangen. Aangezien appellante de betreffende nota’s niet aangetekend per post heeft verzonden en ook niet op andere wijze het bewijs heeft geleverd dat zij de nota’s aan de DMO heeft gezonden, komen de gevolgen van het niet kunnen aantonen dat de nota’s daadwerkelijk aan het College zijn gezonden, voor rekening en risico van appellante.

Nu appellante slechts een bedrag van € 147,58 aantoonbaar heeft besteed aan onderdelen van de babyuitzet waarvoor haar bijzondere bijstand is verleend en niet heeft kunnen aantonen dat zij ook het resterende bedrag van € 842,62 heeft besteed aan aankopen waarvoor haar de bijzondere bijstand is verleend, is zij de ingevolge de bijstandswet op haar rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen waardoor haar recht op bijzondere bijstand niet is vast te stellen.

In dit verband tekent de Raad nog aan dat het College de nota van Prenatal ten bedrage van € 254,95 terecht niet in aanmerking heeft genomen. Uit de specificatie in het besluit van 4 maart 2003 blijkt dat de verleende bijzondere bijstand niet was bedoeld voor een draagzak, een maxicosi of een warmtehoes.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) bevoegd was het besluit van 4 maart 2003 te herzien. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van een bedrag van € 842,62 aan gemaakte kosten van bijzondere bijstand over te gaan.

De Raad gaat er onder verwijzing naar zijn uitspraak van 30 januari 2007 (LJN: AZ8022) voorts van uit dat het College het beleid voert dat in de gevallen, bedoeld in artikel 58 en 59 van de WWB, in beginsel wordt teruggevorderd en dat van terugvordering kan worden afgezien indien het terug te vorderen bedrag lager is dan een door of namens het College nader vast te stellen bedrag, de vordering niet is ontstaan door het bij recidive niet nakomen van de inlichtingenverplichting of hiertoe een dringende reden aanwezig is. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, althans voor zover het betreft de terugvordering van bijstand die het gevolg is van een herzienings- of intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, de grenzen van en redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het College niet in overeenstemming met zijn beleid tot terugvordering van bijstand tot een bedrag van € 842,62 van appellante heeft besloten en evenmin dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van het beleid, (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en H.J. de Mooij en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 september 2007.

(get.) J.M.A. Kolk-Severijns.

(get.) P.C. de Wit.

BKH