Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
20-09-2007
Zaaknummer
05-5414 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering: minder dan 25% arbeidsongeschikt. Achterwege blijven van zitting zonder toestemming van partijen. Toename arbeidsongeschiktheid door andere oorzaak.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:64, geldigheid: 2007-09-18
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 20, geldigheid: 2007-09-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5414 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 juli 2005, 05/38 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene].

Datum uitspraak: 18 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuijsen. Betrokkene is verschenen bij gemachtigde mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem en kantoorgenoot van mr. Fischer.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant "verweerder", betrokkene "eiser" en een besluit van appellant van 14 december 2004 het "bestreden besluit" wordt genoemd, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"2.1. Eiser, laatstelijk werkzaam als zelfstandig handelaar in gebruikte auto-onderdelen, is 23 augustus 1999 uitgevallen met whiplashklachten na een auto-ongeluk. Eiser heeft vervolgens een aanvraag voor een uitkering ingevolge de WAZ gedaan per

1 november 1999. Bij besluit van 4 september 2000 heeft verweerder besloten per 21 augustus 2000 deze niet aan eiser toe te kennen omdat eiser na 52 weken per 23 augustus 2000 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt was te beschouwen. Eiser heeft op 19 april 2004 opnieuw een aanvraag voor een uitkering ingevolge de WAZ gedaan met als datum van de eerste dag van arbeidsongeschiktheid 28 september 1999. Op 21 mei 2004 is eiser onderzocht door de verzekeringsarts. Deze oordeelde dat eiser vanaf 1 juli 2002 toegenomen arbeidsongeschikt is. Tevens heeft de verzekeringsarts geoordeeld dat de ziekmelding per 1 juli 2002 voortkomt uit een kennelijk andere oorzaak dan die op 23 augustus 2000 bestond. Op 13 december 2004 is de bezwaarverzekeringsarts tot een gelijkluidend oordeel gekomen.

2.2.Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij is van mening dat de toegenomen klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen wel voortkomen vanuit een lichamelijke oorzaak die ten tijde van de beslissing van 4 september 2000 bestond. Eiser heeft een haemarthros in de voet en daarnaast rug, nek en schouderklachten. Niet uit te sluiten valt dat de haemarthros een gevolg van het auto-ongeluk kan zijn, aldus eiser.

2.3.Verweerder stelt zich op het standpunt dat het besluit terecht genomen is. Verweerder is van oordeel dat de vanaf 1 juli 2002 toegenomen klachten van eiser voortkomen uit een kennelijk andere oorzaak dan die ten tijde van het eerder weigeren van WAZ-uitkering."

Hieraan voegt de Raad toe dat blijkens het proces-verbaal van de zitting van 20 mei 2005 van de rechtbank het onderzoek ter zitting is geschorst. Voorts is niet gebleken dat na 20 mei 2005 het onderzoek ter zitting is hervat of dat partijen toestemming hebben gegeven een nadere zitting achterwege te laten, voordat de rechtbank op 21 juli 2005 uitspraak heeft gedaan.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak -kort gezegd- geoordeeld dat niet buiten twijfel staat dat de op 1 juli 2002 ingetreden arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde oorzaak als die uitgaande van de datum 23 augustus 2000 ter beoordeling heeft gestaan om welke reden de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit heeft vernietigd.

In het aanvullend beroepschrift, waarin appellant betrokkene "verweerder" noemt, heeft appellant onder meer het volgende aangevoerd:

"Verweerder heeft zich bij de ziekmelding op 1 november 1999 ziekgemeld met whiplashklachten na een auto-ongeval. Thans meldt appellant (lees: verweerder) zich met voetklachten. De primair oordelend verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben beide gemotiveerd geoordeeld dat er geen oorzakelijk verband is tussen de eerdere arbeidsongeschiktheidsmelding en de onderhavige. Een belangrijke rol speelt hierbij het feit dat verweerders eigen orthopeed in zijn brief van 18 november 2004 gemotiveerd aangeeft dat er in casu geen sprake is van een posttrauma, doch van een synoviale tumor.

Ook door de radioloog werd ons standpunt bevestigd, daar deze op 15 juli 2002 aangaf dat er indien er sprake zou van een posttraumatische afwijking meer omringend sclerose te zien zou moeten zien (lees: zijn).Voorts is uiteraard opvallend dat verweerder pas drie jaar na het ongeval last van zijn voet heeft gekregen. Al met al concludeerden wij dat er geen enkele aanwijzing (lees: is) dat er een causaal verband zou bestaan tussen de voetklachten en het ongeval in 1999.

Gedurende de beroepprocedure kwam er informatie binnen van orthopeed Sonneveld die aangaf dat er wel sprake kan zijn van een causaal verband tussen de voetklachten en het ongeval, daar er in de literatuur als een van de mogelijke oorzaken haemarthros (bloed in het gewricht) word gesuggereerd. Die literatuur bestaat voornamelijk uit casuïstiek (met

andere woorden er is nog geen sprake van gecontroleerd wetenschappelijk onderzoek). De orthopeed geeft overigens duidelijk aan dat het onmogelijk is voor hem om te beoordelen of er bij verweerder als gevolg van het ongeval een haemarthros is opgetreden en dat dus niet door hem beoordeeld kan worden of er bij betrokkene een relatie bestaat tussen de voetklachten en het ongeluk.

Enerzijds zijn er dus een aantal artsen (waaronder verweerders eigen orthopeed) die verweerder zelf hebben onderzocht en stellen dat er geen sprake is van een oorzakelijk verband tussen het trauma (het ongeval) en de voetklachten. Anderszijds is er een brief van een orthopeed die verweerder niet zelf heeft onderzocht en aangeeft dat er in theorie wel

een verband zou kunnen zijn, doch dat hij over onvoldoende gegevens beschikt om vast te stellen dat er bij verweerder inderdaad sprake is van een dergelijk verband.

Ons inziens heeft de rechtbank gezien het voorgaande een te vergaande conclusie getrokken nu zij verweerder het voordeel van de twijfel geven en stellen dat niet kan worden uitgesloten dat er wel een causaal verband zou kunnen zijn.

Wij verzoeken u derhalve de uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren."

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding te onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze tot stand is gekomen.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek ter zitting geschorst. Ingevolge artikel 8:64, derde lid van de Awb wordt na een schorsing een zaak op een nadere zitting hervat in de stand waarin zij zich bevond.

Ingevolge artikel 8:64, vijfde lid van de Awb kan de rechtbank bepalen dat de nadere zitting achterwege blijft. Voorwaarde voor de uitoefening van die bevoegdheid is dat partijen hiervoor toestemming hebben gegeven. Van een dergelijke toestemming is in het onderhavige geval niet gebleken.

De rechtbank heeft dusdoende de aangevallen uitspraak gedaan in strijd met artikel 8:64 van de Awb, in verband waarmee die uitspraak niet in stand kan blijven.

De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of de zaak al dan niet moet worden teruggewezen naar de rechtbank te Haarlem. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend, nu nader onderzoek in de zaak niet noodzakelijk is en om een dergelijke terugwijzing door partijen niet is verzocht.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen twijfel bestaat dat de op 1 juli 2002 bij betrokkene bestaande beperkingen als gevolg van een aandoening aan de voet geen oorzakelijk verband hebben met het ongeval en de daaruit voortvloeiende nekbeperkingen in verband waarmee, uitgaande van de datum 23 augustus 2000, de eerdere schatting in het kader van de WAZ heeft plaatsgevonden. Hierdoor is het bepaalde in artikel 20 van de WAZ niet van toepassing.

Het hiervoor weergegeven betoog van het Uwv in hoger beroep treft naar het oordeel van de Raad doel. De verklaring van de orthopedisch chirurg H. Sonneveld van 11 mei 2005, waaraan de rechtbank doorslaggevende betekenis heeft toegekend, berust niet op eigen onderzoek van de voet van appellant. Bovendien erkent hij dat hij niet kan beoordelen of een relatie bestaat tussen het ongeval en synovitis nodularis pigmentosa die later is vastgesteld. Voorts heeft de destijds behandelend orthopedisch chirurg T. de Jong in een brief van 18 oktober 2004 aan de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst onder meer medegedeeld dat er bij betrokkenes voetaandoening geen sprake is van een posttraumatische afwijking maar van een synoviale tumor. Dit sluit ook aan bij het standpunt van de radioloog van 15 juli 2002, die aangaf dat bij een posttraumatische afwijking meer omringend sclerose te zien zou moeten zijn. Tenslotte overweegt de Raad dat de bij verweerschrift in hoger beroep in het vooruitzicht gestelde reactie van de orthopedisch chirurg Sonneveld niet is verkregen, zoals mr. Klaas ter zitting van de Raad heeft medegedeeld.

Een en ander leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het tegen het besluit van 14 december 2004 ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2007.

(get.) K.J.S. Spaas

(get.) M.C.T.M. Sonderegger

MK