Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
20-09-2007
Zaaknummer
05-4629 + 07-2752 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen. Schadevergoeding. Proceskosten en griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4629 + 07/2752 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 22 juni 2005, 04/910 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.H. Kuiper, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een nieuw besluit van 10 mei 2007 ingezonden en heeft daarbij een groot aantal bijlagen gevoegd.

Appellante heeft op 11 juni 2007 een brief ingezonden, waarin zij onder meer heeft aangegeven dat zij geen gemachtigde meer heeft.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2007. Appellante is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 9 juni 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 26 mei 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 november 2004 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

Hangende de procedure in hoger beroep heeft het Uwv op 10 mei 2007 een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen (hierna: bestreden besluit 2). Daarbij is besloten bestreden besluit 1 in te trekken en het primaire besluit van 9 juni 2004 in zoverre te herroepen dat de WAO-uitkering op en na 26 mei 2004 wordt voortgezet, berekend op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Het Uwv heeft verzocht om bestreden besluit 2 op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de lopende procedure te betrekken.

De Raad is van oordeel dat, nu bestreden besluit 2 niet geheel aan het beroep tegemoet komt, het beroep tegen bestreden besluit 1 ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb mede gericht moet worden geacht tegen bestreden besluit 2.

Het Uwv heeft te kennen gegeven het in bestreden besluit 1 ingenomen standpunt niet langer te handhaven en dit besluit in te trekken. Uit 's Raads uitspraak van 4 februari 1997, LJN: ZB6628, volgt dat in zo'n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.

In dit geval is in het hoger beroepschrift verzocht om toepassing van artikel 8:73 van de Awb. Appellante heeft daardoor belang behouden bij een vernietiging van de aangevallen uitspraak en bestreden besluit 1, zodat de Raad daartoe zal overgaan.

Ten aanzien van bestreden besluit 2 overweegt de Raad het volgende.

Dit besluit berust op het standpunt dat appellante op 26 mei 2004, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan een aantal door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie geschikt geachte functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 26,5%.

De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en onderschrijft het standpunt van het Uwv dat er met de objectiveerbare klachten van appellante voldoende rekening is gehouden. Er zijn beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren en ten aanzien van het bovenhands werken en het gebruik van de nek. Uit de in eerste aanleg namens appellante ingezonden expertise van de psychiater M. Kazemier van 16 november 2004 heeft de Raad niet kunnen afleiden dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Die expertise is overigens niet zozeer gericht op de beoordeling voor de WAO, maar eerder op het vaststellen van de gevolgen van het verkeersongeval dat appellante in 1998 is overkomen.

Namens appellante is voorts nog een rapport ingebracht van de verzekeringsgeneeskundige drs. P.M.J. Swerts van 12 februari 2005. Swerts geeft in dit rapport een groot aantal beperkingen aan die verder gaan dan de beperkingen die de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv hebben aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts C.J. van der Valk is in een rapport van 22 maart 2005 uitvoerig ingegaan op de bevindingen van drs. Swerts en heeft daarbij – naar de kern genomen – aangegeven dat Swerts teveel is afgegaan op subjectieve klachten in plaats van objectiveerbare afwijkingen. De Raad onderschrijft dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. De reactie die Swerts vervolgens weer op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts heeft gegeven, en die is weersproken door de bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 7 juni 2005, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Ditzelfde geldt voor hetgeen in hoger beroep is aangevoerd over de klachten en beperkingen van appellante. Naar het oordeel van de Raad zijn die argumenten in een reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 3 oktober 2005 voldoende weerlegd.

De bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband heeft in een rapport van 8 mei 2007 de geschiktheid van de eerder geselecteerde functies nogmaals vergeleken met de vastgestelde belastbaarheid. Hierbij is gebleken dat twee van de aanvankelijk door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies komen te vervallen omdat daarbij sprake is van overschrijding van de belastbaarheid. De schatting is uiteindelijk gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie, samensteller metaalwaren en wasserijmedewerker. Deze functies omvatten respectievelijk 17, 42 en 15 arbeidsplaatsen. Het mediane loon in deze functies bedraagt € 10,21 per uur. Afgezet tegen het voor appellante geldende maatmaninkomen van € 13,89 per uur komt daarmee de mate van arbeidsongeschiktheid uit op 26,5%. Dit heeft ertoe geleid dat het Uwv een nieuw besluit heeft genomen, namelijk het hiervoor genoemde bestreden besluit 2. Hierbij is de mate van arbeidsongeschiktheid in de klasse 25 tot 35% uitgekomen in plaats van 15 tot 25%.

De Raad is tot het oordeel gekomen dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden om te oordelen dat appellante op 26 mei 2004 op medische gronden naar objectieve maatstaf gemeten in staat moet worden geacht de aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde functies te vervullen.

Het beroep voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Met het voorgaande is gegeven dat appellante als gevolg van het door het Uwv ingetrokken bestreden besluit 1 schade heeft geleden, verband houdende met vertraagde uitbetaling van de uitkering voorzover die hoger had moeten zijn dan bij bestreden besluit 1 was vastgesteld. Dit betreft het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25% en 25 tot 35%. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden toegewezen, als het bestreden besluit door het Uwv is ingetrokken. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellante toekomende vergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN: ZB1495.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 140,- vergoedt;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM