Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
05-6147 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Geschiktheid eigen werk. Juistheid belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6147 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 september 2005, 04/3173 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2007. Namens appellant is mr. H. Drenth, advocaat te Utrecht, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.B. Knollema.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1964, was werkzaam te Utrecht als groepshulp bij de [werkgever], gedurende 32 uur per week. Op 26 december 2002 is zij met rugklachten uitgevallen voor haar werkzaamheden. Op 29 december 2003 heeft appellante het Uwv verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Nadat appellante was onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts is geconcludeerd dat appellante een aantal beperkingen ondervond. Op basis van die beperkingen heeft een voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige appellante geschikt geacht voor haar eigen werkzaamheden. Tevens werd appellante geschikt geacht om een aantal functies te vervullen. Dit leidde tot een besluit van 22 maart 2004 waarbij geweigerd werd appellante per 25 december 2003 een WAO-uitkering toe te kennen.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij het besluit van 8 november 2004 (hierna: bestreden besluit) is dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd en gesteld dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld en dat zij in staat moest worden geacht zowel haar eigen werk te verrichten als een aantal haar voorgehouden functies te vervullen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank oordeelde bij de aangevallen uitspraak dat er geen aanleiding was om appellante verdergaand beperkt te achten dan door het Uwv vastgesteld. De functies waarvoor appellante geschikt werd geacht, vielen naar het oordeel van de rechtbank binnen de voor haar vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank was echter wel van oordeel dat de tilbelasting van appellante in haar eigen werk werd overschreden zodat appellante niet geschikt werd geacht voor haar eigen werk als groepshulp. Aangezien voorts een afdoende arbeidskundige onderbouwing door het Uwv eerst in het beroep was geleverd, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat appellante meer beperkingen ondervindt dat dan door het Uwv is aangenomen. Daarbij is gewezen op de huisstofmijtallergie, de longfunctie en de depressieve stemmingen van appellante. Appellante heeft ter onderbouwing van haar stellingen een aantal stukken ingebracht. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante gewezen op het feit dat aan appellante per 18 juli 2005 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is toegekend.

De Raad oordeelt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding is om appellante meer beperkt te achten dan door het Uwv is vastgesteld. Zoals ook ter zitting is vastgesteld hebben de twee behandelende orthopeden bij appellante geen gebreken of beperkingen aan de rug kunnen vaststellen en constateerden zij slechts een ernstig overgewicht. Voorts is er geen medisch onderbouwd standpunt ten aanzien van de depressieve klachten van appellante. Met de beperkingen die het Uwv desondanks heeft willen aannemen is appellante zeker niet te kort gedaan. Zoals uit de stukken blijkt, is daarbij rekening gehouden met haar longklachten. Dat appellante later in aanmerking is gebracht voor een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, brengt, mede gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen, niet mee dat de beperkingen van appellante ten tijde in geding door het Uwv onjuist zouden zijn vastgesteld. Tenslotte wijst de Raad er op dat de in hoger beroep ingebrachte medische gegevens, voor zover die niet reeds in de beroepsfase afdoende zijn besproken, betrekking hebben op appellantes gezondheidstoestand na de datum in geding. Het hoger beroep slaagt derhalve niet.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM