Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3591

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
05-3841 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WAO-uitkering en uitkeringen op grond van de Toeslagenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3841 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 mei 2005, 04/93 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door P.J. Langius.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 19 december 2003, waarbij het Uwv - beslissend op bezwaar - de aan appellant toegekende WAO-uitkering en toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) per 1 april 1998 heeft ingetrokken en hetgeen als gevolg hiervan onverschuldigd is betaald heeft teruggevorderd.

Voor een overzicht van de aan het besluit van 19 december 2003 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van het Uwv van

19 december 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald al hetgeen hij reeds in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht.

Naar zijn mening heeft de rechtbank in al hetgeen hij heeft aangevoerd ten onrechte geen aanleiding gezien zijn beroep gegrond te verklaren en het besluit van het Uwv van

19 december 2003 te vernietigen. Appellant heeft zijn standpunt herhaald dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Voorts is de rechtbank naar zijn mening ten onrechte ongemotiveerd voorbijgegaan aan een aantal van zijn stellingen.

De Raad overweegt als volgt.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellant zijn verplichtingen op grond van

artikel 80 van de WAO en artikel 12 van de TW heeft geschonden en dat het Uwv terecht appellants uitkering en toeslag met ingang van 1 april 1998 heeft ingetrokken en de onverschuldigd betaalde uitkering en toeslag van appellant heeft teruggevorderd. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is de rechtbank niet gebleken.

Ter motivering van dit oordeel heeft de rechtbank gewezen op het geheel van de gedingstukken, waaronder met name het rapport uitkeringsfraude van 25 april 2003 en de verklaringen van getuigen en van appellant zelf. Hiermee is de rechtbank op voldoende wijze ingegaan op de stellingen van appellant. Er is geen sprake van dat de rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de door appellant naar voren gebrachte gronden.

In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde stelling dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en is de rechtbank op goede gronden tot het oordeel gekomen dat die grieven niet kunnen slagen. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank en onderschrijft deze volledig.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoelde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM