Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2007
Datum publicatie
13-09-2007
Zaaknummer
06-4615 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering en terugvordering wegens verplaatsen van woonplaats naar buitenland. Territorialiteitsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4615 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juni 2006, 05/7769 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. R.P. Dielbandhoesing, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2007. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.M. Bardok, werkzaam bij de gemeente Leiden.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving sinds 29 oktober 1997 bijstand naar de norm voor een alleenstaande laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 19 april 2005 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 13 december 2004 tot en met 31 december 2004 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante met ingang van 13 december 2004 in Suriname verblijft. Voorts heeft het College appellante meegedeeld dat de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van

€ 165,06 van appellante worden teruggevorderd en ingevorderd door middel van verrekening met de nog aan haar toekomende vakantietoeslag en dat van verdere terugvordering van het resterende bedrag van € 174,36 wordt afgezien.

Bij besluit van 20 september 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 april 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 september 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht het College te veroordelen tot schadevergoeding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 11, eerste lid, van de WWB is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht heeft op bijstand van overheidswege. Het in deze bepaling neergelegde territorialiteitsbeginsel sluit een belanghebbende die woonplaats heeft buiten Nederland uit van het recht op bijstand.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot de woonplaats van appellante het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante en voor verweerder het College dient te worden gelezen.

``Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres sinds

13 december 2004 definitief in Suriname verblijft en derhalve per die datum haar woonplaats in Nederland heeft opgegeven. Het verblijf van eiseres in Suriname in de periode van 13 december 2004 tot en met 31 december 2004 kan niet als vakantie worden aangemerkt, aangezien eiseres kennelijk niet de intentie heeft gehad om na deze periode (nog) naar Nederland terug te keren. Zo heeft zij geen afschrift van een retour-ticket overgelegd waaruit deze intentie zou kunnen blijken. Voorts blijkt uit verschillende brieven die eiseres heeft overgelegd, met name de brieven van 2 en 8 december 2004, dat zij zich blijvend in Suriname zal vestigen. Aangezien eiseres sinds 13 december 2004 niet meer in Nederland is teruggekeerd staat derhalve vast dat zij zich feitelijk sinds die datum in Suriname heeft gevestigd. Dat in de hiervoor vermelde brieven als datum van vestiging 1 januari 2005 is vermeld doet hieraan niet af. Dit geldt ook voor het feit dat eiseres in de GBA geregistreerd staat als zijnde geëmigreerd met ingang van 1 januari 2005. Daartoe neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat naar vaste jurisprudentie de vraag waar iemand zijn woon- of verblijfplaats heeft dient te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke situatie.``

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er voldoende grondslag is voor het standpunt van het College dat appellante haar woonplaats in Nederland op 13 december 2004 heeft prijsgegeven. Hij kan zich verenigen met de strekking van de hiervoor aangehaalde overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het voorgaande betekent dat appellante, gelet op het in artikel 11, eerste lid, van de WWB neergelegde territorialiteitsbeginsel, over de periode van 13 december 2004 tot en met 31 december 2004 geen recht heeft op bijstand.

Aangezien aan appellante over de periode van 13 december 2004 tot en met 31 december 2004 ten onrechte bijstand is verleend en dit niet het gevolg is geweest van het niet of niet behoorlijk nakomen door appellante van de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting, was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand over die periode.

De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aan haar ten onrechte bijstand werd verleend. Dat verplaatsing van haar woonplaats naar het buitenland gevolgen zou hebben voor haar bijstandsuitkering mocht immers bij appellante bekend worden verondersteld.

Met hetgeen hiervoor is overwogen over de intrekking van de aan appellante verleende bijstand is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het College is derhalve bevoegd de kosten van bijstand over de periode 13 december 2004 tot en met 31 december 2004 van appellante terug te vorderen.

Het College voert het beleid, neergelegd in de Beleidsregels Terugvordering Wet werk en bijstand, dat in de gevallen, bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de WWB, in beginsel wordt teruggevorderd en dat van terugvordering kan worden afgezien indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 150,-- of hiertoe een dringende reden aanwezig is. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, voor zover het betreft de terugvordering van de bijstand die het gevolg is van een intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

Het College is ten gunste van appellante van dit beleid afgeweken en heeft de kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 165,06 van appellante terug- en ingevorderd door middel van verrekening met de nog aan haar toekomende vakantietoeslag en afgezien van verdere terugvordering van het resterende bedrag van € 174,36. In aanmerking genomen dat het, zoals hiervoor reeds is overwogen, appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aan haar ten onrechte bijstand werd verleend, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en dat het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 september 2007.

(get) J.J.A. Kooijman.

(get) N.L.E.M. Bynoe.

GG